Column

Land

Een paar dagen geleden was ik hier ook al. Een noordelijk land, een eiland, dat voor het gevoel juist meer richting Zuid-Afrika ligt, maar dan omhoog in plaats van rechtdoor. Het is groot, het is moeilijk te bereiken, bijna niemand waagt zich aan de reis hierheen. Ze communiceren er ook niet met ons. Het is een land apart. Noord-Korea-achtig Lapland met een broeierig klimaat.

Na de reis met het katapultvliegtuig, dat je erheen slingert als je geluk hebt, kom je er aan. Altijd in het uiterste puntje van het zuiden, wat wij hier het noorden zouden noemen, of rechts voor mijn gevoel, en de reis het land in verloopt altijd via één weg, rechtdoor richting het noorden, wat mij dan weer links aandoet en wij normaal gesproken het zuiden zouden noemen. Gevoelsgeografisch ligt het land op dezelfde plek als het ‘soort van Amerika maar dan anders’ waar ik ook weleens kom, met zijn rode rivieren en zijn eindeloze, duizelingwekkend hoge bruggen. Dat is ook zo groot en geïsoleerd en geeft je, net als deze plek hier, nog echt het gevoel ver weg te zijn.

Toen ik hier een paar dagen geleden was, was alles van vuilnis gemaakt. Ook de huizen op het strand, die op boten lijken, en aan de Tongkonan-huisjes in Toraja, Indonesië doen denken, maar dan uitbundiger. Zelfs het zand was van vuilnis. Op één ding na: het strandhuisje, dat ik er gehuurd bleek te hebben. Een kleine, langwerpige glazen kist of kas op stahoogte met een stalen frame dat schitterde in de felle zon, en aan een crematorium deed denken. Ik had in de glazen kas naar mijn vieze blote voeten op de smetteloos witte plavuizen gekeken, en kort de ijskoude stalen dissectietafel betast. Het enige meubelstuk dat er stond. Door de ramen zag ik een tsunami aankomen, ik rende naar buiten en vloog de lucht in over het land van vuil en zag het in tweeën breken.

Kleine mensen, niet hoger dan een centimeter en ik moet uitkijken dat ik niet op ze ga staan

Nu ben ik er weer. Ik ben aangekomen via de stad in het zuiden. De zon is nog feller dan eerder. Wasgoed is in een paar minuten droog en de gele huiden van de mensen zijn dik en leerachtig en ze hebben kleine anusachtige stippen als ogen. Straten zijn overvol en er zijn veel dieren. Dan is er een groot stuk straat leeg, ik loop er voorzichtig overheen, want dat moet voor mijn gevoel. Dan zie ik kleine tanks over de straatstenen rijden, de tanks zijn niet groter dan twee centimeter hoog. Er staan mannetjes met geweren, er rennen mensen, kleine mensen, niet hoger dan een centimeter en ik moet uitkijken dat ik niet op ze ga staan. Het is terreur, zie ik, en ik concludeer dat ze dat hier ook hebben maar dan in het klein. Ik kom aan op het strand, het is van zand nu. De boothuisjes staan prachtig her en der en er zijn kermisattracties gemaakt van dieren, echte dieren, grote vissen waar je vanaf kan glijden en carrousels van geiten. Mensen slaan dieren, ook de dieren die loslopen. Ik wil lief voor de dieren zijn en me uitspreken als ik iemand een dier pijn zie doen, besluit ik.

Dan sta ik in een winkel. Een vrouw met een buggy staat voor me, er ligt een varkentje in met een rode boerenkiel om zijn hoofd geknoopt. „Wat een prachtig varkentje”, zeg ik. Maar het is ineens een baby.