Kan Europa zijn achterblijvers hulp bieden?

EU-top in Zweden

De ongelijkheid in de EU wordt groter. Vrijdag praten EU-leiders in Gotenburg over wat daaraan te doen valt. Nederland wordt er maar nerveus van.

Politie bij EU-top in Gotenburg. Foto Jonathan Nackstrand/AFP

Wankelend op zijn benen, in de berm voor de dorpskroeg, snuit een vent het bloed uit zijn neusgaten. In de kroeg staat achter de toog de man met de vuist. Het is nog vroeg in de ochtend op het Hongaarse platteland en de situatie is helder en pijnlijk alledaags: onbetaalde rekeningen, getergde kroegbaas, bam!

In de berm, waar de dronkenlap zich nu heeft vastgeklampt aan een lantaarnpaal, liggen lege blikjes – van voorbijrazende vrachtwagens. Niemand stopt hier en de laatste getalenteerde jonge Hongaren zijn een paar jaar geleden al vertrokken. Dit is leegloopland.

Sociale ontwrichting: daarover gaat het vrijdag op de top van EU-leiders in het Zweedse Gotenburg. Vergeleken met de rest van de wereld is het leven in Europa nog steeds goed, ook na de eurocrisis. Het wordt zelfs beter: in 2013 kampte de EU gemiddeld met 11 procent werkeloosheid, vorig jaar was dit 8,7 procent en de trend zet door. „De duikvlucht is voorbij”, concludeerde onderzoeksbureau Bertelsmann donderdag.

Lees ook: Europa sleept zich van crisis naar crisis, schreven Stéphane Alonso en Tijn Sadée eerder dit jaar. Leiders van de EU-lidstaten spraken in oktober over een unie met toekomst. Waar liggen de problemen en mogelijkheden? Elf thema’s.

Maar binnen de EU zijn de verschillen groot en soms zelfs toegenomen. In 2010 stelden EU-leiders zich tot doel het aantal mensen die armoede riskeren met 20 miljoen terug te dringen. Dat is niet alleen niet gelukt. Er zijn volgens cijfers van de Europese Commissie 1,7 miljoen ‘armen’ bijgekomen. Vooral in Zuid-Europa zijn kinderen en jongeren bovengemiddeld kwetsbaar geworden.

Ook in Midden- en Oost-Europa rommelt het. Met EU-subsidies gebouwde snelwegen en viaducten hebben de regio een beter aanzien gegeven. Maar de loonkloof tussen oost en west wordt maar moeizaam kleiner, en werd de afgelopen tien jaar zelfs groter. Het aloude idee dat lidstaten via economische groei vanzelf naar elkaar toe groeien (‘convergentie’) staat sinds de eurocrisis onder druk – en daarmee uiteindelijk ook de legitimiteit van de EU.

De kloof tussen de lonen in West- en Oost-Europa is alleen maar groter geworden sinds 2008. En dat is slecht voor de héle Europese Unie.

Winner takes all

Binnen die landen is het contrast nog groter: in Warschau en omstreken ligt het inkomen ver boven het EU-gemiddelde, het is economisch een van de hardst groeiende stukjes EU. Maar de Poolse hoofdstad is een groene vlek op een roodgekleurde kaart. „The winner, de stedeling, takes it all”, zegt Europarlementariër Lambert van Nistelrooij (CDA), expert in regionaal beleid. „Dat is het scenario dat in de EU dreigt.”

De gevolgen zijn al voelbaar. De Oost-Europeaan, die 28 jaar na de val van het communisme nog te weinig perspectief ziet, zoekt onderdak bij populistische partijen, die het bestaan net iets minder hard beloven te maken. Of hij zoekt beter betaald werk en sociale zekerheid in West-Europa. Exodus en instroom – het resultaat is sociale ontwrichting in Oost en West, waar anti-Europese partijen van profiteren.

Lees ook: Oost-Europeaan blijft zondebok op arbeidsmarkt, over Nederland dat het oneerlijk vindt dat Oost-Europese arbeidskrachten veel goedkoper zijn. Oost-Europa vindt dat gezeur.

Redden van banken

In Gotenburg willen EU-leiders een begin maken met het repareren van deze sociale mismatch. Niet met harde wetgeving – dat kan ook niet: sociaal beleid is een nationale aangelegenheid. Maar wel met een ‘sociale pijler’: een proclamatie van twintig principes waar elk EU-land naar zou moeten streven, zoals het recht op een leven lang leren, gelijke kansen, adequate (minimum-) lonen, hulp bij het vinden van werk en bescherming bij ontslag.

Tijdens de crisis was er weinig oog voor de ‘verliezers’. Alles draaide om het redden van banken. Er kwam een bankenunie: ingrijpende hervormingen om een vuurwal om de financiële sector heen te leggen. Er moest en zou hard worden bezuinigd en hervormd, desnoods ten koste van sociale vangnetten. In Griekenland werden sommige uitkeringen zelfs in één keer helemaal stopgezet, het startschot voor een zelfmoordgolf.

Eigenlijk zou het afgelopen moeten zijn met publieke steun voor banken. Maar de nieuwe EU-regels blijken in de praktijk flexibel. Vijf vragen over de bankenunie.

Sommige landen, zoals Nederland en Denemarken, worden zenuwachtig van die sociale pijler. Premier Rutte benadrukt keer op keer dat de proclamatie geen juridisch bindende status heeft en dus niet betekent dat ‘Brussel’ sociale standaarden oplegt. Eurocommissaris Marianne Thyssen (Sociale Zaken) erkent dat volmondig. „We dwingen niemand en we maken niets uniform, maar het is in ieders belang dat we weer naar elkaar toe gaan groeien.” Brussel wil landen geregeld langs de sociale meetlat leggen en hoopt dat de pijler zo „de toon van nationale debatten” kan zetten.

De uitdaging is immens, want als het om de vraag gaat wat sociaal is, voert de EU vaak een gesprek tussen doven. West-Europa eist op hoge toon ‘gelijk loon voor gelijk werk’, dus geen oneerlijke loonconcurrentie uit Oost-Europa. Maar dáár roepen ze precies hetzelfde: zij willen in eigen land eerlijker betaald worden, zodat ze niet weg hoeven. In Boedapest worden zelfs handtekeningen verzameld om de Commissie op dit vlak tot actie te bewegen.

„We zitten in een neerwaartse spiraal”, aldus de initiatiefnemers die streven naar een ‘salaris-unie’. „Honderdduizenden jongeren uit onze regio emigreren omdat ze hier niet rond komen. Tegelijk houden onze regeringen het loonniveau hier laag om Westerse multinationals, op zoek naar goedkope arbeid, te lokken.” Het initiatief, gestart door de ultrarechtse Hongaarse partij Jobbik, krijgt inmiddels steun uit zes andere Oost-Europese landen.

Lees ook over hervormingen in Brussel: Dankzij Macron mag het weer: nadenken over meer Europa