Bekentenissen van een vliegvisser

Vliegvissers staan stoer tot hun middel in het water. Maar thuis zitten ze ijverig met veertjes te kantklossen, bekent

Daar gaat-ie dan. Dit wordt mijn coming out. Ik ben een blanke man van 41 jaar, lichamelijk en geestelijk gezond, dolgelukkig met vrouw en twee schatten van kinderen en mijn hobby’s zijn surfen, drummen en …

Pfff…

Kom op, je kan het.

Oké, ik…

…ben geobsedeerd door kippenveren en hertenhaar.

Zo, dat is eruit. En tja, hoe het in hemelsnaam zo ver heeft kunnen komen, dat is een ingewikkeld verhaal.

Maar wacht even. Ik zie verderop het water kolken. Die kringen daar, dat kan maar één ding betekenen: fish rising! Snel mijn waadpak aan en erop af. Zodra ik tot mijn middel in het water sta en niets anders meer hoor dan het ruisen van de stroming, zwiep ik mijn hengel heen en weer. Zo precies mogelijk mik ik op de plek waar zojuist nog cirkels groeiden. Er gebeurt niks.

SPLASH! Opeens lijkt het water te ontploffen. In een reflex trek ik mijn hengel naar boven, die meteen kromtrekt. En jawel, daar springt een dikke forel omhoog. Met een haak in zijn bek. HANGEN!

Dat is het dus: ik ben een visser.

Is dat alles? Nou, nee.

Het moeilijke zit hem niet in het erkennen dat ik voor mijn lol een dierenbeul ben: een zelf gevangen zeebaars verschalken lijkt me nog altijd duurzamer dan een biefstuk bestellen. Bovendien ben ik een Zeeuw en zit vissen in de familie. Op het strand vingen mijn vader, broer, (oud)ooms, neven en ik ongeveer alles op alle mogelijke manieren: met fuiken en sleepnetten (platvis), korren (garnalen), hengels (paling, geep, makreel) en blote handen (krabben).

De schaamte kwam pas veel later. Toen begon ik namelijk met vliegvissen.

Korte spoedcursus: in plaats van een stevig stuk lood of een zware dobber gebruik je bij vliegvissen het gewicht van je lijn (die is gemaakt van kunststof en op het water blijft drijven) om in te gooien. Dat doe je door je hengel heen en weer te hengsten en je lijn telkens wat te laten vieren. Aan het uiteinde is een dunne nylondraad met een als insect vermomde haak geknoopt. Als alles goed gaat, landt die precies zo op het water als een vlieg, mug, spin of kever dat zou doen. In het ideale scenario duikt er meteen een hongerige vis op. En steek je vervolgens de barbecue aan.

Klinkt ingewikkeld? Dat klopt. Daarom wordt vliegvissen door andere hengelsporters vaak smalend ‘de moeilijkste manier om vis te vangen’ genoemd. Maar ja, dat is het hem nou juist. De makkelijkste manier om vis te vangen is een tientje neerleggen bij een willekeurige viskraam. Hoe meer moeite iets kost, hoe groter de beloning, toch? Wie wil er nou een marathon rijden met de auto?

Vliegvissen wordt door andere hengelsporters vaak smalend ‘de moeilijkste manier om vis te vangen’ genoemd

Hoe vaker mijn hengel kromtrok, hoe erger de visverslaving werd. Talloze trips volgden en ook op gewone vakanties, surftrips of uitstapjes met de band ging er standaard een hengel mee. Thuis zat ik gekluisterd aan YouTube, loerend naar fish porn. Het enige naakt dat daarin is te zien, zijn forellen, snoeken en baarzen. De ‘porno’ zit hem vooral in de geliktheid van de shots: spectaculaire aanbeten in superslomo, meerdere GoPro’s die tegelijkertijd onder water filmen, drones die van duizelingwekkende hoogte uitgestrekte rivierbeddingen vol springende zalmen, beren en ander natuurschoon vastleggen.

Het ging pas fout toen ik ontdekte dat YouTube niet alleen volstond met fly fishing, maar ook met fly tying-video’s.

YouTube staat vol spectaculaire fly fishing-video’s.

Het is wellicht niet vergelijkbaar met de uitvinding van wiel, buskruit of penicilline, maar eeuwen geleden kwam De Eerste Vliegvisser (waarschijnlijk een Romein) op het geniale idee dat je veren om een haak kon wikkelen en zo een drijvend schepsel kon bouwen dat sprekend leek op een insect. Zelfs bij grotere roofvissen (die alleen andere vissen eten) bleek de truc te werken: in de stroming fladderde een samengebonden pakketje veren (een zogeheten streamer) precies als een zwemmende prooivis. Bijkomend voordeel: je hoefde niet telkens plakkerige wormen, krioelende maden of slijmerige stukken vis aan je haak te rijgen.

Er ging een wereld voor me open. Die ruige rivierhelden en stoere zeebonken in de fish porn bleken ’s avonds allemaal achter hun vise (een soort minibankschroefje) te zitten kantklossen. Met de camera op zichzelf gericht en met hun tong uit de mond, wikkelden ze eendenveren, konijnenvacht en hertenhaar om hun haken en bonden alles vakkundig vast met kleine klosjes garen die ze tot slot afknipten met minuscule schaartjes.

Natuurlijk gingen ook bij mij alle alarmbellen af. Op de Schaal Van Het Ultieme Nerdendom was dit overduidelijk code rood. Want ook al probeert deze brigade der vliegenbinders het te verbloemen door hun gereedschap de namen te geven van gevaarlijke achtbanen (whip finisher, hackle pliers, hair stacker, bobbin holder), op de achtergrond keiharde metal of juist stuiterende dubsteb te draaien en trendy IPA’s te drinken waarvan ze het etiket opzichtig voor de lens duwen, het blijft toch een soort borduren.

Maar het was ook een wonder om te zien hoe zo’n donkergroene spriet uit een pauwenveer veranderde in een perfect borstelig insectenlijfje. Of hoe één baard uit een gesloopte fazantenveer exact leek op een spinnenpoot, als je er een knoop in legde.

Het laatste zetje kreeg ik van de Britse godfather Oliver Edwards. In zijn gezaghebbende serie Essential Skills leerde ik dat er zowaar ook Nederlandse grootmeesters bestonden. Vol bewondering sprak Edwards over de Hollander Hans van Klinken, uitvinder van de zogeheten ‘Klinkhåmmer’. Die „supersuccesvolle vlieg” zag er door vissenogen uit als „een sappige steak” en was daardoor „een absolute must” voor iedere vliegvisser.

Hans van Klinken legt de Klinkhåmmer uit.

Ik was om. Ik moest en zou een Klinkhåmmer binden. Na uren prutsen met konijnenpluis, peacock herl en kippenveren was hij af: mijn eerste vlieg. Toen ik daar ook nog vis mee ving, was het hek van de dam. Ik ging alle soorten en maten draaien: van moeilijke muggen voor kieskeurige forellen tot enorme streamers vol glitterende kerstboomversiering voor gulzige snoeken.

Ik was eindelijk op stoom, toen er concurrentie kwam uit onverwachte hoek. Dameskappers begonnen plotseling op vliegvisveren te azen om ze in te vlechten als trendy hair extensions. Gevolg: schaarste en exploderende prijzen. Op het toppunt van de hype zagen vliegviswinkels tot hun grote ergernis hoe ze letterlijk door jonge modepopjes werden kaalgeplukt. Het leidde tot draconische maatregelen, zo beschreef The New York Times in een artikel met de kop When fashion meets fishing, the feathers fly. Vrouwen konden voortaan fluiten naar hun pluimen. In hengelsportzaken gold voortaan de regel ‘eigen vissers eerst’.

Lees ook: Wie gaat er nog op de bonnefooi op vakantie?

Zelf kon ik ook nauwelijks de neiging onderdrukken om veren uit meisjesharen te rukken. Maar ook op andere gebieden begon ik vreemd gedrag te vertonen. Dode vogels werden opeens cadeautjes. Niet alleen stopte ik voortaan voor roadkill, bij hipsters controleerde ik welke veren er in hun hoedjes zaten vastgeklemd. Bij Marokkanen checkte ik de bontkragen. Thuis keek ik behalve in de voering van de kussens ook met een schuin oog naar onze cavia’s: moesten die niet eens nodig worden bijgeknipt of op zijn minst geborsteld? Zelfs de synthetische haren van de knuffels van mijn kinderen waren niet veilig. Want eerlijk is eerlijk: het was allemaal ideaal streamer-materiaal.

Hoeveel vis ik ook vang, het gaat niet over. Vandaar dat ik nu net zo goed uit de kast kan komen (en ik zou andere heimelijke vliegvissers en –binders willen aanmoedigen hetzelfde te doen). Het lucht op, echt waar. Je voelt je zo licht als een veertje.

    • Frank Provoost