Advies: ‘Geef minister minder te zeggen over politie’

Een commissie onder leiding van ex-topambtenaar Wim Kuijken deed vier jaar onderzoek naar de invoering van de Nationale Politie in 2013. Het rapport werd deze donderdag gepresenteerd.

Foto iStock

De centralisering van de politie moet ten dele worden teruggedraaid. De minister van Justitie en Veiligheid moet minder te zeggen krijgen bij de Nationale Politie, en de korpschef en burgemeesters juist meer.

Dat is de boodschap die minister Ferdinand Grapperhaus (Justitie en Veiligheid, CDA) deze donderdag heeft gekregen van ex-topambtenaar Wim Kuijken.

Kuijken deed vier jaar lang onderzoek, op verzoek van het ministerie zelf, naar de invoering van de Nationale Politie in 2013. Sindsdien zijn er voortdurend incidenten, misstanden en discussie bij de politie. De eerste korpschef nieuwe stijl, wijlen Gerard Bouman, stapte in 2016 op, drie jaar eerder dan de bedoeling was, na kritiek op zijn rol tijdens de vorming. Kuijken legt niet de nadruk op de rol van de korpschef, maar op de te dominante positie van de minister.

Lees het interview met Wim Kuijken: ‘Burgemeesters en het OM moeten de handschoen oppakken

‘Aanpak lokale problemen’’

Om de Nationale Politie nog tot een succes te maken, zegt Kuijken, is er meer ruimte nodig voor de aanpak van lokale en regionale problemen. De sturing ligt volgens Kuijken nu te sterk in handen van de gecentraliseerde top, uiteindelijk bij de minister.

Tot 2013 waren er 26 aparte politiekorpsen. Die korpsen gingen op in één landelijke organisatie omdat de gedachte was dat dit Nederland veiliger zou maken en het bestuur over de politie efficiënter.

Kuijken en zijn commissie, die vanaf het begin van dichtbij konden volgen hoe de Nationale Politie functioneerde, zijn nu bijzonder kritisch over de efficiëntie. Bovendien is er te weinig informatie en kennis beschikbaar over de effecten van politie-inzet op veiligheid, zegt Kuijken in een gesprek met NRC: „Dat zou wel moeten: er werken 65.000 mensen en we besteden er jaarlijks vijf miljard euro aan.”

Bovendien is vorming van de Nationale Politie, bijna vijf jaar na de oprichting, nog altijd niet af: dat is volgens de aangepaste planning pas begin volgend jaar het geval. Dat is drie jaar later dan verwacht, en bovendien twee keer zo duur als voorzien. Door onrust en onzekerheid over hun werk nam het ziekteverzuim onder agenten toe. Ook is de „bestuurlijke drukte” niet verminderd, blijkt uit het donderdagmiddag aan de minister aangeboden rapport.

Minister zelf is te machtig

De commissie-Kuijken wijst de net aangetreden minister Grapperhaus op een belangrijke oorzaak van de problemen: de minister zelf is te machtig geworden. Hij stelt de begrotingen van de politie op, keurt ze goed, zit het overleg voor met het Openbaar Ministerie (OM) en burgemeesters over politie-inzet én is toezichthouder op de politie. Teveel rollen, schrijft de commissie. „Die verknoping moet ontvlecht worden”, beveelt de commissie de minister aan. Bijvoorbeeld door een onafhankelijk voorzitter aan te stellen om het overleg met OM en burgemeesters te leiden. In dat overleg moet ook de korpschef een belangrijkere rol krijgen – hij is er nu geen onderdeel van.

De Nationale Politie wordt daarom nog te „centralistisch” aangestuurd. „Centraal wordt besloten hoeveel agenten, huisvesting en materieel een eenheid heeft”, schrijft de commissie. Daardoor vallen er gaten in de criminaliteitsbestrijding in verschillende regio’s. Volgens Kuijken worden die gaten opgevuld door handhavers en particuliere beveiligers, soms zelfs bewapend.

Wel moet de vorming van de Nationale Politie doorgaan, vindt Kuijken. „Er gaat nu veel beter dan toen er nog 26 aparte korpsen waren. Er kan makkelijker opgeschaald worden bij incidenten, de uitwisseling van agenten tussen eenheden gaat ook beter.”

    • Mark Lievisse Adriaanse