Het eerste explosieve dossier voor het kabinet

Dividendbelasting Premier Rutte verdedigt deze woensdag zijn plan om de dividendbelasting af te schaffen. Waarom is het van belang?

Unilever in Rotterdam. Als de dividendbelasting blijft, vreest het kabinet dat multinationals vertrekken. Foto Lex van Lieshout/ANP

Het is het eerste explosieve dossier voor het nieuwe kabinet, de afschaffing van de dividendbelasting. Politiek Den Haag spreekt er nu al weken over en premier Rutte moet deze woensdag nog eens zijn veel bekritiseerde plan in de Kamer verdedigen. Tot voor kort zullen niet heel veel Nederlanders van deze vrij zeldzame belasting hebben gehoord. Daarom: vijf vragen en vijf antwoorden.

  1. Wat is het eigenlijk, die dividendbelasting?

    Dat veel mensen niet weten wat dividendbelasting is, is niet zo gek. Vrijwel geen enkele particuliere belastingplichtige heeft met deze belastingsoort te maken. De dividendbelasting geldt alleen voor aandeelhouders van Nederlandse vennootschappen. Voor de meesten daarvan bestaat een vrijstelling of verrekening.

    In de regel is dividendbelasting een heffing van 15 procent op het deel van de winst dat bedrijven aan hun aandeelhouders uitkeren. De heffing dateert van 1918 – nog met een bescheiden tarief van 5 procent. De heffing werd tijdens de Duitse bezettingsjaren herzien en verhoogd, met als motivatie: „De nood van de Schatkist maakte een hooger belastingtarief met betrekking tot de winsten van lichamen onvermijdelijk.” In de jaren zestig werd het tarief nog eens verhoogd tot 25 procent. Het was staatssecretaris van Financiën Joop Wijn (CDA) die zich tien jaar geleden openlijk hard maakte voor afschaffing van de dividendbelasting. Hij deed dat niet, maar zette een eerste stap door het tarief te verlagen tot 15 procent.

  2. Wie brengen de dividendbelasting op?

    Net als bij de loonheffing, dienen bedrijven die winst aan hun aandeelhouders uitkeren de verschuldigde 15 procent aan dividendbelasting in te houden en aan de fiscus over te maken. Voor veel aandeelhouders is deze ingehouden 15 procent terug te vorderen bij of te verrekenen met de Belastingdienst. Aandeelhouders die in Nederland wonen, kunnen sowieso de ingehouden dividendbelasting verrekenen met andere heffingen, zoals de inkomstenbelasting. Voor veel buitenlandse beleggers geldt hetzelfde, indien zij uit andere EU-lidstaten komen of uit de bijna honderd landen waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten. Hoe en in welke mate verrekening of vrijstelling is geregeld verschilt per verdrag. Soms zijn er voorwaarden aan verbonden zoals de omvang van het aandelenbelang of een minimale periode waarin dat belang in bezit is. Ook is er verschil in de fiscale behandeling van particulieren, holdings en professionele beleggingsinstellingen zoals pensioenfondsen.

    Uit een recente uitleg van staatssecretaris Menno Snel (Financiën, D66) aan de Tweede Kamer blijkt dat de „grootste betalers” van dividendbelasting uit Canada, China, Rusland, Taiwan, Turkije, Zuid-Korea en de Verenigde Staten komen.

  3. Wat kan de premier vandaag zeggen om zijn critici te overtuigen? Lees ook de column van Menno Tamminga: Zo verdedigt Rutte die onbelaste dividenden
  4. Wat is de opbrengst voor het ministerie van Financiën?

    De dividendbelasting is ook voor de schatkist relatief een kleine post. Voor komend jaar denkt Financiën er bruto ruim 3,2 miljard mee te kunnen ophalen. Door de vele vrijstellingen en verrekeningen blijft daar volgens het CPB netto maar 1,4 miljard euro van over. Dat is nog geen half procent van de totale belastinginkomsten voorzien voor 2018.

    Hoeveel de afschaffing van de dividendbelasting precies zal opleveren staat niet vast. Volgens het kabinet zijn er veel bedrijvigheid en werkgelegenheid mee gemoeid. Grote multinationals als Shell en Unilever, beweert het kabinet, dreigen hun hoofdkantoren te verhuizen als de dividendbelasting van 15 procent blijft bestaan. Beide bedrijven hebben daar gezamenlijk een kleine 3.000 medewerkers werken. Van het macro-economisch effect van het afschaffen bestaat volgens het CPB „geen empirisch bewijs”.

  5. Hoe zit het in het buitenland?

    Het meest gehoorde argument om deze taks af te schaffen is dat Nederland qua vestigingsklimaat moet kunnen concurreren met „de ons omringende landen”. Toch hebben veel westerse landen juiste een hogere dividendbelasting. België en Duitsland hanteren een standaardtarief van 25 procent, Frankrijk 30 procent en Zwitserland 35 procent. Ook deze landen kennen overigens uitgebreide vrijstellings- en verrekeningsclausules. Er zijn ook Europese landen die géén dividendbelasting heffen, waaronder het Verenigd Koninkrijk. Om die reden speelt de Brexit een rol in het debat. Multinationals die overwegen om Londen te verlaten zullen een nieuwe basis willen vinden waar evenmin een dividendbelasting bestaat.

  6. Waarom is het afschaffen van dividendbelasting voor Unilever en Shell zo van belang?

    Ruim 80 procent van de aandelen van de grote beursfondsen op de Amsterdamse beurs is in handen van buitenlandse beleggers. Dat maakt dat de dividendbelasting alle grote beursgenoteerde bedrijven raakt – hoewel ze deze zelf niet betalen. Ze willen het hun overwegend buitenlandse aandeelhouders gemakkelijk maken. Een heffing op dividend is in hun ogen een hobbel om in Nederlandse bedrijven te beleggen. Ook over het inkopen van eigen aandelen – een middel om aandeelhouders extra rendement te bieden – wordt dividendbelasting geheven. Dat maakt, in de ogen van tegenstanders van de dividendbelasting, Nederlandse multinationals aantrekkelijke prooien voor buitenlandse overnemers. Een opkoper zou bij de (nog best omslachtige) vervolgstap om het hoofdkantoor te verplaatsen voor een gemakkelijke boekwinst op de waarde van zijn aandelen kunnen zorgen.

    Ondernemingen met een dubbele beursnotering ervaren de dividendbelasting al helemaal als negatief en discriminatoir. Unilever en Shell hebben zowel in Amsterdam als op in Londen aandelen uitgegeven. ‘Britse’ aandelen worden fiscaal anders behandeld – goedkoper – dan Nederlandse. De aandelen zijn op beide beurzen ook verschillend gewaardeerd; de ‘Nederlandse’ aandelen zijn lager geprijsd dan de ‘Britse’.

    Om de verschillen weg te nemen is het niet gek dat juist deze multinationals pleiten voor de afschaffing van de Nederlandse dividendbelasting.

    Getalsmatig zijn deze twee miljardenconcerns – of althans hun aandeelhouders – grote afdragers. Volgens deskundigen zijn Unilever en Shell samen goed voor ruim 40 procent van de dividendbelasting die de Nederlandse schatkist binnenstroomt: zo’n 1,4 miljard van de 3,2 miljard bruto opbrengst.