Column

De zon is woedend en koortsachtig

Joyce Roodnat

Joyce Roodnat zoekt na de dood van een bevriend kunstenaar troost bij impressionisten en muziek.

Nick Wadley: ‘How it all began’ uit zijn boek Man + Table ( 2016). Nick Wadley

‘Nick’s news is sad”. Zo begint de e-mail. Nicks nieuws is triest want hij is dood. Nick Wadley was 82. Een mooie leeftijd zeggen ze dan, maar dat vind ik helemaal niet, ik vind het veel te jong. Hij was een goeie kunstenaar die veel van zijn tedere tekeningen wijdde aan de mannelijke conditie. In zijn mooiste boekje werkte hij de gedachte uit dat mannen maar liever onder een tafel gaan zitten. Het begint met een zelfspotportret: Nick zoekt op handen en knieën zijn heil tussen kuiten en schoenen. Zat hij daar maar! Alleen al hoe hij „hello darling” zei, had ik graag voor altijd bewaard. Maar nu moet ik naar Londen voor „goodbye darling”, niet van hem maar van mij.

Als je ergens merkt hoe weinig je van iemand wist, dan is het op een uitvaart. Nick blijkt gedichten geschreven te hebben, heel mooie zelfs. Een andere vriend citeert zijn favoriete quote, van W.H. Auden: „We are all here on earth to help others; what on earth the others are here for I don’t know.” En hij kwam regelmatig met een mens of tien samen om songs van Cole Porter en Irving Berlin te zingen. Het ploegje staat naast zijn kist. Ze zingen ‘Let’s face the music and dance’ en even slaat het grote huilen toe. Ja, Laten we de muziek onder ogen zien en dansen, er zit weinig anders op.

Na het condoleren raak ik aan de praat met een Poolse kunstenaar. Grillige gestalte, enorme snor, stevig aan de wijn. Hij vertelt over zijn geliefde: „Ik kwam er na jaren achter dat ze letterlijk zo oud was als mijn moeder.” Ze is 94 nu, zegt hij stralend. Ik geniet van hem, hij is net een tekening van Nick.

Op een tafel liggen Nicks boeken uitgestald. Hij schreef er drie over de Franse impressionisten – wist ik óók al niet.

’s Middags zoek ik troost in museum Tate Britain. Alsof een opperwezen het zo regisseerde, is daar de expositie Impressionists in London – 1870-1904 te zien. De Franse schilders kwamen naar Londen, op de vlucht voor de bloedovergoten burgeroorlog na de Parijse Commune. Het werk dat ze daar in ballingschap maakten, hangt hier bij elkaar. Hoogtepunt vind ik de zes schilderijen waarmee Claude Monet de Houses of Parliament aan de Thames vastlegde. Koortsachtige doeken zijn het, waarop de beruchte London fog wordt aangevallen door een woedend oranje schijf zon.

The Gallery of HMS Calcutta (Portsmouth) door James Tissot (olieverf op doek, c. 1876). Collectie Tate Britain

Ook James Tissot verrukt me. Hij schilderde de Londense society, spottend met de mannen met geheven kinnen. Maar niet met de vrouwen. Zie die twee, aan dek van een schip. Ons tonen korset en queue hun lichamen. Hun benemen ze de adem. De vrouwen geven geen krimp, ze doen zwak maar ze laten niet met zich spotten. De schrijver Henry James vond dit schilderij vulgair, lees ik. Die kon die vrouwen niet aan. Pech voor hem.