Belasting en paradijs

Ewoud Sanders

Ooit was er het paradijs en volgens het bijbelboek Genesis groeiden daar bomen met heerlijke vruchten. Er ontsprong een rivier die stroomde naar een land waar „uitstekend goud” te vinden was. Alle dieren waren er, plus de eerste man en vrouw: die mochten van iedere boom eten, maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad.

Ook het woord belasting komt in de Bijbel voor, ruim twintigmaal. Eén voorbeeld: „Om de vastgestelde schatting te betalen, legde hij het land belasting op. Iedereen werd naar vermogen aangeslagen.” (2 Koningen 23:35)

Een interessante vraag is: wanneer zijn de woorden belasting en paradijs bijeen gekomen? En welk imago hadden belastingparadijzen in het verleden: behoorden zij tot het goed of tot het kwaad?

Van het geld van Nederlandse belastingbetalers, die strikt naar vermogen worden aangeslagen, worden ambtenaren betaald die internationale bedrijven helpen om op grote schaal belasting te ontwijken. Buitenlandse belastingdiensten lopen daardoor gigantische bedragen mis. Daar ziet de Nederlandse belastingdienst geen kwaad in, want onder meer brievenbusfirma’s zouden goed zijn voor onze economie. De zogenoemde rulings van de Nederlandse fiscus zijn geheim en worden niet gecontroleerd, ook niet door de politici die de belastingbetalers vertegenwoordigen. Het gevolg is onder meer dat een handjevol mensen, soms zelfs eenlingen, Nederland internationaal een zeer dubieus imago bezorgen.

Belastingparadijs is een betrekkelijk jong woord. Ik vond het voor het eerst in De Telegraaf van 1920, in de zin: „De fiscus vraagt ons méér-dan-zes-maal-zooveel als in dat lang-vervlogen voorjaar van 1914, toen we óók al allemaal klaagden over de hooge belastingen […] zonder te zien, dat wij in een belasting-paradijs leefden!” Het woord heeft hier een positieve gevoelswaarde: het Nederlandse belastingstelsel was dus een tijdlang paradijselijk voor alle burgers.

In de huidige betekenis ‘land waar rijke individuen en bedrijven door ingenieuze fiscale constructies belasting ontwijken’ heeft het woord belastingparadijs van meet af aan twee concurrenten gehad: belastinghaven en belastingvrijhaven. Belastinghaven is enkele decennia ouder dan belastingparadijs: het Nederlandse parlement spreekt al sinds 1899 over de onwenselijkheid van belastinghavens, kennelijk zonder veel succes. Belastinghaven en belastingvrijhaven komen nog steeds voor, maar zijn inmiddels ruimschoots ingehaald door belastingparadijs.

Lang werden vooral de Nederlandse Antillen en Aruba gezien als belastingparadijzen. Dat stempel dragen ze sinds de jaren zeventig van de twintigste eeuw. Het woord had inmiddels een negatieve gevoelswaarde gekregen. Vandaar dat NRC in 1983 schreef: „Nederland is ’s werelds snelst groeiende belastingparadijs. […] Nederland een belastingparadijs? Het is ongelooflijk, maar waar. Voor buitenlandse ondernemingen is het uiterst lucratief om hier een financieringsmaatschappij op te richten en rente en dividendbelastingen via die maatschappij te leiden.”

„Ongelooflijk, maar waar” – daar spreekt verbijstering uit. Die voel ik over het feit dat dit kabinet het belangrijker vindt om van Nederland een nog groter belastingparadijs te maken dan om belastingontwijking internationaal aan te pakken, om te beginnen binnen Europa. Volgens mij toont dat aan dat goud zelfs voor christelijke partijen een hogere marktwaarde heeft dan goed en kwaad.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders