Robert Mitchum: stiekem de sterren van de hemel spelen

Robert Mitchum Filmlegende Robert Mitchum, honderd jaar geleden geboren, plachte te zeggen dat hij slechts twee acteerstijlen had: met paard en zonder paard. Toch behoort hij tot de beste filmacteurs ooit.

Robert Mitchum als een ultieme, wraakzuchtige ploert in Cape Fear (1962).

Heeft Robert Mitchum echt bestaan? De 100ste geboortedag van de legendarische filmacteur ging dit jaar betrekkelijk onopgemerkt voorbij. Het beroemde festival voor gerestaureerde film in het Italiaanse Bologna, Il Cinema Ritrovato, wijdde een groot retrospectief aan hem. Hier en daar verscheen een herdenkingsartikel. Maar heel veel aandacht was er niet voor een filmster die in zijn tijd behoorde tot de best betaalde acteurs van Hollywood en al bij leven was uitgegroeid tot een ware cultheld.

In de jaren veertig en vijftig speelde Mitchum (1917-1997) in klassieke misdaadfilms die achteraf als ‘film noir’ te boek zouden komen te staan. Films zoals Out of the Past (1947) en Angel Face (1952) behoren tot de beste misdaadfilms die ooit in Amerika zijn gemaakt. Het Amerikaanse bioscooppubliek had zojuist de economische crisis en een wereldoorlog doorstaan en even geen zin meer in al te zonnig escapisme. Voor een korte periode maakte Hollywood volwassen, complexe, duistere films zonder happy end, bevolkt door cynische, wereldwijze en moreel gecompromitteerde individuen. Robert Mitchum was daarin in zijn element. Hij was het gezicht van die bloeiperiode van de Amerikaanse cinema.

Gangster op leeftijd

In de jaren zeventig was Mitchum vervolgens te zien als een gangster op leeftijd in films die bedoeld waren als hommages aan het genre (‘neo-noir), van een jongere generatie regisseurs die met zijn films was opgegroeid: The Friends of Eddie Coyle (1973) van Peter Yates, The Yakuza (1974) van Sydney Pollack, als privédetective Philip Marlowe in Farewell, My Lovely (1975) van Dick Richards. Mitchum speelde bijna alleen nog maar hommages aan zichzelf, maar hij nam in 1978 ook de oude rol van Humphrey Bogart op zich in een overbodige remake van diens klassieker The Big Sleep.

De hommages zijn ook niet gestopt in de jaren zeventig. Martin Koolhovens met Gouden Kalveren overladen wraakwestern Brimstone is ondenkbaar zonder The Night of the Hunter (1955): het meesterwerk van regisseur Charles Laughton, met Mitchum als een godsdienstwaanzinnige psychopaat in dominees-tenue, die twee kinderen naar het leven staat. De maniakale dominee van Guy Pearce in Brimstone is gemodelleerd naar Mitchums rol in zijn beste film.

Mitchums zag er niet tegenop om echte slechteriken te spelen, psychopaten zelfs, en dat zelfs met zichtbaar genoegen te doen. Zie ook zijn gedenkwaardige rol als een regelrechte ploert tegenover de rechtschapen Gregory Peck in Cape Fear (1962) – een film die dertig jaar later een remake kreeg van Martin Scorsese, met Robert De Niro in Mitchums oude rol.

Mitchum speelde een bijrolletje in de remake. Hij was verbijsterd hoeveel filmfanaat Scorsese van zijn films bleek te weten. Zelf had hij niet meer dan een stuk of zes, zeven van zijn eigen films gezien („Ze betalen je niet om die dingen ook nog eens te bekijken.”)

Mitchum had als acteur bijzonder weinig ijdelheid. Hij speelde ook graag een simpele ziel, een domme kracht. Hij was een gestrande soldaat tijdens de Tweede Wereldoorlog op een nagenoeg onbewoond eiland in Heaven Know’s Mr. Allison (1957), met Deborah Kerr als non. Om een dommige man te spelen moet een acteur misschien nog wel meer ijdelheid opzijzetten dan voor een echte slechterik.

Toch is zijn ster inmiddels enigszins verbleekt. Maar dat schimmige Nachleben is ook wel passend voor een acteur die er in zijn beste rollen nooit helemaal bij leek te zijn. Mitchum belichaamde bij voorkeur droombeelden, herinneringen – soms traumatische herinneringen; in sommige gevallen een regelrechte nachtmerrie. Het is dat er al een film bestaat over Bob Dylan die I’m not there heet; anders zou een film over ‘Bob’ Mitchum prima zo kunnen heten.

Zijn lethargische uitstraling, zijn verveelde blik, zijn onverzettelijkheid en ongenaakbaarheid, bepaalden zijn aantrekkingskracht als filmster. „Baby, I Don’t Care” luidt de iconische zin die Mitchum uitspreekt in een van zijn klassieke films, Out of the Past. Dat is ook de titel van de gezaghebbende biografie die Lee Server vijftien jaar geleden over de acteur schreef. Maar dat was natuurlijk een act. Beroemd is de uitspraak van regisseur Howard Hawks die Mitchum ooit „de grootste oplichter in Hollywood” noemde, omdat niemand stiekem zo hard werkte als hij. (Mitchums reactie: „Vertel het alsjeblieft niet door.”)

Toch was die ongenaakbaarheid niet helemaal gespeeld. In de kern was hij inderdaad een nihilistische, onverschillige, trage persoonlijkheid: nog verder versterkt door zijn levenslange liefde voor marihuana, en – in toenemende mate – een serieus drankprobleem. Mitchum was gevormd door zijn losgeslagen, armoedige jeugd tijdens de crisis van de jaren dertig. Via bijrolletjes in westerns belandde hij in de filmwereld, niet weinig geholpen door zijn imposante verschijning en lome, sensuele manier van bewegen.

Mitchum begon zijn carrière als meisjesidool. „Hij kijkt zo immoreel uit zijn ogen”, verklaarde een bakvis midden jaren veertig over haar nieuwe idool. „Als je maar niet vergeet dat je hier alleen staat vanwege je uiterlijk”, beet tegenspeelster Katharine Hepburn hem toe bij een van zijn eerste hoofdrollen. „Acteren kun je namelijk niet.”

De Smirnoff-methode

Mitchum zal dat niet hebben ontkend. „Ik heb twee acteerstijlen: met paard en zonder paard”, plachtte hij te zeggen. Gevraagd of hij geloofde in de destijds onder acteurs populaire ‘Stanislavski-methode’ luidde zijn antwoord: „Ik geloof in de Smirnoff-methode.” Maar ondertussen was hij een onovertroffen filmacteur. Hij overtuigde zelfs als de passieve, brave schoolmeester in David Leans matige Ryan’s daughter (1970) – een rol waarin de ultieme macho Mitchum welbewust ‘against type’ was gecast.

De biografie van Lee Server staat bol van de tegenstrijdige verklaringen. Mitchum was de ultieme professional; Mitchum was onhandelbaar op de set, omdat hij ’s middags altijd dronken was. Mitchum haatte autoriteiten en trok zich van niets en niemand wat aan; Mitchum adviseerde een jonge acteur die het aan de stok had met een producent om op tijd in te binden, als hij wilde blijven werken in de filmindustrie. Mitchum had de sensitieve ziel van een dichter, eigenlijk wilde hij schrijver worden. Maar legio zijn ook de incidenten waarin hij in kennelijke staat verkeerde en zijn geslachtsdeel uit zijn broek haalde om op de meest ongepaste plekken en momenten te urineren.

Tegenover elke klassieke oneliner voor de eeuwigheid staat dronken, incoherent gebrabbel over ‘de joden’ – opmerkingen die Mitchum meer dan eens in problemen brachten. Met de jaren nemen de incidenten toe. Mitchum deinsde er niet voor terug om – wederom in kennelijke staat – een vrouwelijke fotograaf een blauw oog te bezorgen. Laten we zeggen dat Mitchum goede dagen en slechte dagen had. Maar als hij goed was, was hij echt goed.