Het griezeligst: de suggestie van een spook

Achtergrond In de filmindustrie zijn spoken niet weg te denken. Van alle fantasy- en horrorfilms gaat ongeveer 8 procent over spoken en geesten.

Zijn de kinderen in The Innocents bezeten door boze geesten of zijn zij een bedenksel van de seksueel gefrustreerde gouvernante?

Hoe rationeel we ook denken te zijn, het bovennatuurlijke en het occulte fascineert ons al eeuwenlang. We voelen bijvoorbeeld aan dat spoken niet bestaan, toch jagen ze ons sinds onze kindertijd de stuipen op het lijf. „I see dead people”, zegt het jongetje in The Sixth Sense (1999). De psycholoog die hem behandelt, gelooft hem niet. Deze paradox tussen scepsis en (bij)geloof vormt het hart van onze omgang met spoken, geesten en fantomen. Is er leven na de dood of is er niets? Spoken zijn manifestaties van deze vraag.

In de filmindustrie zijn spoken niet weg te denken. Van alle fantasy- en horrorfilms gaat ongeveer 8 procent over spoken en geesten. Tel daarbij mengvormen op, zoals de romantische spookfilm Ghost (1990) en spookkomedies als Beetlejuice (1988) en Ghostbusters (1984 en 2016), en je komt op een niet onaanzienlijk aantal spookfilms. Horrorauteur Stephen King ziet het spook als archetype: alle wereldculturen hebben ze. Als het onrecht is aangedaan komt het verhaal halen, de bron van talloze ‘haunted house’-films. Met filmspoken kun je bovendien veel kanten op. Ze kunnen kwaadaardig zijn of goedaardig, allerlei vormen aannemen, voor iedereen zichtbaar zijn of alleen voor de hoofdpersoon en metaforisch dan wel metafysisch opgevat worden.

Spookverhalen hebben vaak een moralistische dimensie, zoals bij Dickens’ A Christmas Carol waarin Scrooge een beter mens wordt na te zijn bezocht door geesten. De beste spookverhalen zijn die waarin het nooit duidelijk wordt of een geestverschijning paranormaal te verklaren is of voortkomt uit een getormenteerde psychische gesteldheid. Zijn de kinderen in The Innocents (1961), naar Henry James’ The Turn of the Screw, bezeten door boze geesten of zijn zij een bedenksel van de seksueel gefrustreerde gouvernante? Ook is het griezeliger als de aanwezigheid van spoken gesuggereerd wordt en niet expliciet getoond, zie het verschil tussen The Haunting (1963) en de inferieure remake uit 1999.

Wat al deze geesten, poltergeisten en spoken gemeen hebben, is dat ze symbool staan voor het idee dat je nooit echt sterft, dat de ziel blijft bestaan; voor velen een troostende gedachte. Het wordt gekoppeld aan de gedachte dat je met de doden kunt communiceren, ook al verblijven ze in een andere dimensie.

Maar spoken staan niet alleen voor het immateriële en een geloof in het hiernamaals. Soms zijn ze een metafoor voor zaken die worden verdrongen of niet erkend. In de films van Apichatpong Weerasethakul, aan wie Eye Filmmuseum nu een tentoonstelling wijdt, vertegenwoordigen geestverschijningen de weggestopte bloedige politieke trauma’s van zijn thuisland Thailand.

Het medium cinema en geesten zijn voor elkaar geschapen, net als eerder fotografie en spooksels. Victoriaanse spiritisten, onder wie Sherlock Holmes-bedenker Arthur Conan Doyle, probeerden geestverschijningen of ectoplasma vast te leggen op foto’s, iets wat technisch via trucages vrij eenvoudig is. Belangrijker is de aard van het medium film zelf, dat altijd speelt met aan- en afwezigheid. De acteurs die je op het doek ziet, spelen niet live zoals in het theater maar zijn ingeblikt. Zij zijn gelijktijdig daar en niet-daar, schimmen op een wit doek. Dit geldt nog meer als het gaat om overleden acteurs: ze leven voor eeuwig voort op film, en vormen zo een krachtige ontkenning van de dood.