Column

Tussen verleden, heden en toekomst

Ah ja, zó gingen die regels van Vestdijk: „Voor ware liefde moeten alle drie,/ verleden, heden, toekomst, vrienden wezen.” Dat het „voor ware liefde” was wist ik niet meer, ik dacht alleen steeds de woorden „verleden, heden, toekomst vrienden wezen.” Ze komen uit zijn bundel Gestelsche liederen, die mét Vestdijk in het verleden verdwenen is.

Op een dag, terugfietsend van het werk waar ik net begonnen was, dacht ik een beetje beangst: zou dit nu verder mijn leven zijn? Ik weet niet precies wat ik bedoelde, maar wel dat er mogelijkerwijs iets was gekomen dat niet meer weg zou gaan. Het is nu dertig jaar later en het antwoord zou kunnen luiden: ja, dat was je leven, al had mijn vage voorstelling van toen, achteraf bezien weinig te maken met het leven dat kwam. Wat die herinnering me nu vooral zegt, is: er was zoveel toekomst.

Als je jong bent is het moeilijk – zo niet onmogelijk – om je jezelf voor te stellen als een oud en behoeftig mens. Dat je eigen handen er zo uit zullen zien als die van de oude vrouw naast je, met dikke aderen en vlekjes overal. Nee, dat gaat mij niet gebeuren! Zoals in dat verrukkelijke gedicht van Judith Herzberg: „Als ik oud word neem ik blonde krullen/ ik neem geen spataders, geen onderkin,/ en als ik rimpels krijg omdat ik vijftig ben/ dan neem ik vrolijke, niet van die lange om mijn mond/ alleen wat kraaiepootjes om mijn ogen.

Vijftig al láng gepasseerd, geen blonde krullen genomen, wel wat onvrolijke rimpels maar, nu ja. Alles gaat prima, toch zou ik het in toenemende mate handig vinden om te weten hoe de toekomst eruit ziet.

Om dingen te kunnen regelen en bedenken, belangrijke zorg- en erfenis-dingen, maar ook om te weten of ik nú veel moet reizen, verhuizen moet naar een afgelegen plek, me in de geschiedenis van Byzantium verdiepen, of dat daar straks – later – nog tijd genoeg voor is. Kan ik totaal ander werk gaan doen of is dat juist heel dom? Elke dag leven of het je laatste is, is geen goede raad; al klinkt dat reuze levenskunstig. Daarvoor zou je nog weer ouder moeten zijn. De 88-jarige die ik onlangs sprak zei: „De toekomst kan me eigenlijk niet meer zo veel schelen, over een paar jaar ben ik er toch niet meer.”

Vaak denk je zelf ook: ach, de toekomst, laat zitten, het is nu. Maar het nu beperkt zich nooit tot dit ogenblik alleen, maar heeft altijd een wat wijdere kring van tijd om zich heen. Dat nu ziet er minder geruststellend uit dan vroeger dat iets te maken heeft met de dreiging van de toekomst. De eigen toekomst bedoel ik, niet die van het antropoceen, Noord-Korea of terreuraanslagen – dat is de Grote Toekomst en die komt toch wel.

De eigen toekomst speelt vreemd genoeg met het ouder worden een steeds grotere rol, juist door te krimpen. Hoeveel tijd zul je nog hebben? Wie zal er volgend jaar ineens niet meer zijn? Welke mogelijkheden nog? Dat hele woordje ‘nog’ al, dat elke dag een stapje verder naar voren zet. Het levert een tot nog toe onbekende vorm van conservatisme op, gevoed door zorgelijke gedachten. Hoe vervelend!

Voor het leven is het ook beter als verleden, heden en toekomst vrienden zijn, maar ze hebben minder met elkaar op gekregen dan vroeger, toen je nog tijd genoeg had. Maar je wist het niet. Je weet het niet.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.