Ongestoord door de boze buitenwereld

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: een natte lunch met de voormalige meisjes van de boekenclub.

De latino garderobedame in een wit schortje neemt mijn jas aan in de vestibule van het herenhuis. Een bordje verwijst naar een aparte garderobe voor nertsjassen. Ik ben in de jaren vijftig beland. Eikenhouten lambrisering, spiegels, kroonluchters, en vooral veel goud en brokaat.

In de eetzaal word ik allerhartelijkst welkom geheten door Abigail, voorzitster van de boekenclub. Ze ziet eruit om door een ringetje te halen. Mantelpak, gouden spinnenbroche met robijnen, verstandige hakken, haren strak in de lak. Hoezeer ik ook mijn best heb gedaan me te kleden voor de gelegenheid, ik val meteen uit de toon vanwege de modder op mijn schoenen – een passerende taxi reed door een plas.

Een voor een druppelen de leden van de boekenclub binnen, allemaal even piekfijn gekleed en gekapt. Ze zijn nog helemaal vol van de opera van gisteravond. O, zoals die nieuwe Russische diva Norma vertolkte, fan-tas-tisch! Handen gaan de lucht in, ranke polsen waaraan een Cartier-tankhorloge bungelt – ja, die van Jackie Kennedy – of een Hermes-bedelarmband.

Terwijl ik mijn boek neerleg op de lessenaar, komt een ober langs met een dienblad rinkelende wijnglazen. Als ik wil, kan ik ook een cocktail nemen, zegt Abigail. Zelf bestelt ze een vodka stinger.

Een schaal met hors-d’oeuvres gaat rond, iets met kreeft. Een van de dames stoot een gesteven servet om. Een zwart meisje met wel honderd vlechtjes vouwt het zorgvuldig opnieuw. Vaag hoor ik door de dubbele beglazing heen een sirene afgaan.

Er gebeurt nogal wat in de grote boze buitenwereld, maar niets verstoort de dagelijkse lunch in deze beschutte club.

Here’s to the ladies who lunch. Terwijl ik het gezelschap bekijk, zingen door mijn hoofd de woorden van de zopas overleden Stephen Sondheim, het muzikale brein achter zo veel musicals, films en toneelstukken, van West Side Story tot Sweeney Todd, en in mijn ogen de beste liedtekstschrijver ooit. Dit is zijn onnavolgbare satirische ode aan de dames van stand:

Here’s to the ladies who lunch –/ Everybody laugh/ Lounging in their caftans/ And planning a brunch/ On their own behalf.

Tijdens de salade mag ik optreden. Gezeten op een hoge kruk, met achter mij veelkleurig vogeltjesbehang, zie alle ogen op me gericht. Ooit waren deze dames meisjes, maar daarvan is weinig meer te zien. Hun ochtenden beginnen in de sportclub, dan een lunch met vriendinnen. Middagen worden gevuld met kunst en tegen de avond is er de opera, concertzaal of schouwburg.

So here’s to the girls on the go –/ Everybody tries/ Look into their eyes/ And you’ll see what they know:/ Everybody dies.

Mijn lezing is precies zo getimed dat ik klaar ben voor de eregast van deze lunch: de soufflé. Ik krijg een wenk van Abigail en, jawel, daar verschijnen de obers. Het meisje met de vlechtjes slaat een gat in de gebakken lucht en doet er vervolgens een schep visragout in. Abigail heft haar glas. Maar Sondheim heeft voor mij het laatste woord:

A toast to that invincible bunch/ The dinosaurs surviving the crunch./ Let’s hear it for the ladies who lunch –

Reacties naar pdejong@ias.edu