Column

Strooptocht

In Betondorp, maar ook in De Pijp, Arnhem, Velp en Nijmegen, stonden er met Sint-Maarten nooit zingende kinderen met lampions voor mijn deur, maar in het dorp in de ‘roltrapregio’ (een woord dat ik onthield van een artikel uit NRC over gezinnen die Amsterdam verlaten) werden we aan alle kanten voor het feest gewaarschuwd.

Door de vrouw van de kinderopvang die lampionnetjes had zitten knutselen, door de schoonmoeder die d’r hele leven al in dit gebied woont en bij de bakker die door al z’n zoetigheid heen was.

Nou, het zal zo’n vaart niet lopen, dacht ik nog, maar rond zessen stonden de eerste zangertjes al op de stoep met hun lampionnen.

Daarna bleef het komen.

We waren al snel door onze voorraad chocoladewafels heen, waarna we de oudste dochter (2) maar met koekjestrommel bij de voordeur posteerden. Niet het gezang, maar de ouders die hun kinderen vergezelden op strooptocht maakten de meeste indruk. Ze graaiden namens hun kroost vrolijk mee uit onze koekjestrommel.

Een verregende moeder vroeg of ze naar de wc mocht, en riep vanaf de pot, op een toon alsof ze met een heel groot probleem zat, dat haar emmer overliep van het snoep. Of we alsjeblieft één, maar liever nog twee, plastic tassen hadden want ze moesten nog een heel stuk.

Ik zag mezelf al over een paar jaar, sjokkend in een regenponcho achter de kinderen aan. Zou ik dan ook een emmer snoepgoed vasthouden, of namens de jongste graaien in de koektrommel van de buren?

Een verregende moeder riep vanaf de pot dat haar emmer overliep van het snoep. Of we alsjeblieft één, maar liever nog twee, plastic tassen hadden want ze moesten nog een heel stuk

‘Gaat het goed?”, vroeg ik aan een vader met beslagen brillenglazen, een tas met snoepgoed tegen de borst.

„Nôh…”, zei hij, „d’r kan nog wel wat bij, hoor.”

„Nou, sterkte dan”, zei ik, terwijl ik naar die enorme voortanden van hem keek.

We troffen ook zwijgende kinderen met uitgestoken handen aan de deur.

„Moeten jullie niet zingen?”, vroeg de vriendin.

Een moeder: „Ze hebben al gezongen, maar dat hoorde u niet.”

Ik wilde eigenlijk „Doe dan nog maar een keer” zeggen, want zo gemakkelijk kom je er bij een Arnhemmer niet vanaf, maar de dochter had het klepje van de koektrommel al open gefrommeld

Graai-graai, en weer door.

Later, het was weer rustig op straat, ging ik een waterpomptang lenen bij de overburen, een manicure met praktijk aan huis, een stratenmaker en hun twee kinderen. Ik trof ze aan de keukentafel, waarover meerdere emmers waren omgekieperd. Het gezinsgeluk had wel wat van De Aardappeleters van Vincent van Gogh.

Samen sorteren.

Drop in glazen potten, koek en chocola in een doos.

Mandarijnen en rozijnen in de gft-bak.

We vonden elkaar in onze afkeer voor de doorgeschoten afvalscheiding in deze gemeente.