Recensie

Minimalistische opera ontmoet bonte klucht

De Nationale Opera verrast met een contrastrijke dubbeluitvoering: naast het minimalistische Eine florentinische Tragödie staat Puccini’s bonte klucht Gianni Schicchi.

Zemlinsky’s Eine florentinische Tragödie ontvouwt zich ultraminimalistisch. Foto Matthias Baus

Dat het slecht gaat met oudoom Buoso is direct duidelijk. Nog één laatste gorgeltje borrelt er over zijn lippen. Gelukkig is Buoso omringd door zijn familie. Hoewel, gelukkig? De pret van Puccini’s éénakter Gianni Schicchi schuilt in de mix van invoelbaarheid en overdrijving. Ook in deze uitvoering: het gamende zoontje, de wulpse nicht? Herkenbaar. Maar hun hebzucht is theatraal zo vet en muzikaal juist zo fijn gekarakteriseerd dat zelfs het onsmakelijke smijtwerk met het lijk vol op de schaterlach werkt.

In ‘Gianni Schicchi’ wervelen vijftien personages om elkaar heen. Foto Matthias Baus

Voor regisseur Jan Philipp Gloger is deze Schicchi een volmaakt visitekaartje. In een klein uur demonstreert hij hoe actueel aansprekend de opera is – al componeerde Puccini een eeuw geleden en is het verhaal eigenlijk gesitueerd in de dertiende eeuw.

Het decor toont ooms smaakvolle zitkamer, realistisch tot in de kleinste details: een crucifix aan de muur, klassieke reliëfs onder het plafond, daglicht met typisch Toscaanse gouden gloed.

De bedrieger bedrogen

De vijftien personages die daar rondwervelen (er is niet één hoofdrol) vormen een kleurrijke, uitstekend getypecaste equipe. Het verhaal behoeft geen uitleg: de familie blijkt door oom onterft en roept de hulp in van sjacheraar Schicchi – waarna de plot zich ontvouwt volgens een klassiek ‘de bedrieger bedrogen’-scenario.

De schijnbare ongecompliceerdheid is breekbaar, want Puccini’s op spreektaal geënte dialogen eisen voortdurende alertheid van zangers en orkest. Maar dirigent Marc Albrecht toont zich een voorbeeldig stuurman. Het Nederlands Philharmonisch Orkest beweegt onder zijn leiding soepel mee op Puccini’s per woord van kleur verschietende stijl en de zangers blazen het conversatiestuk energiek leven in. Geestig is de grommende, barse tante Zita van alt Enkelejda Shkosa. Sopraan Mariangela Sicilia overtuigt in de hit-aria ‘O mio babbino caro’. Een opvallend goede karakterrol is er van bariton Massimo Cavaletti – met zijn warme timbre en forse gestalte een droom-Schicchi: handig, tikje lomp, toch sympathiek.

Papieren parallellen

Gianni Schicchi is de uitsmijter van Puccini’s operadrieluik Il trittico. Maar de integrale Trittico (voor het laatst bij DNO in 1977) eist veel dure zangers en bovendien is er, aldus regisseur Gloger, sowieso veel te zeggen voor een nieuwe combinatie met Von Zemlinsky’s ingetogener Eine florentinische Tragödie. Parallellen genoeg: beide opera’s zijn éénakters uit 1917, teruggrijpend op Dante, spelend in corrupt Florence en met hebzucht als motor. Maar in klinkende werkelijkheid is het contrast tussen de bonte Puccini en de maandronken Zemlinsky maximaal – wat in uiteenlopende ensceneringen wordt benadrukt.

Zemlinsky’s Florentijnse tragedie ontvouwt zich ultraminimalistisch: het roterend, kantelend speelvlak is leeg, op de drie personages in hun zwart-witte kostuums na. De opera begint met een van eros overborrelende ouverture, die door Albrecht en orkest pulserend zinnelijk wordt neergezet. Het complexe aan de handeling die volgt is dat alles draait om wat niet gezegd wordt. Handelaar Simone weet dat hij wordt bedrogen door zijn vrouw Bianca en haar rijke Guido, maar hij wil ook zijn nering verkopen. De sfeer wordt grimmiger, tot een ‘speels’ geïnitieerd duel ontaardt in wurgmoord en – bizarre ontknoping – Bianca haar echtgenoot plots weer dolverliefd in de heerlijk „sterke” moordenaarsarmen valt. Diagnose: huwelijk gered (Zemlinsky, zelf niet gelukkig in de liefde, bedoelde dat niet ironisch).

Ondubbelzinnige seks

De muziek is ademloos doorgecomponeerd en origineel van instrumentatie: het zindert van de suspense. Dat maakt het jammer dat regisseur Gloger handelaar Simone al in de ouverture ooggetuige laat zijn van ondubbelzinnige seks tussen Bianca en Guido (in het libretto zitten ze hand in hand). De driehoeksverhouding staat zo immers direct onder hoogspanning, van cumulatief wantrouwen kan geen sprake meer zijn.

Interessant is verder de fin-de-siècle-achtig grillige karaktertekening van Simone, die zwalkt tussen bedachtzaamheid, hebzucht en emotie. Die uitersten worden psychologisch minder beklemmend uitgewerkt dan je zou wensen, al is naast de minder uitgesproken Ausrine Stundyte (Bianca) en de vocaal ingetogen Guido van Nikolai Schukoff bariton John Lundgren (Simone) met zijn fraaie dictie, timbre en présence een imposant en onbetwistbaar middelpunt van de ménage à trois.

Knap hoe Gloger met wat kleine vondsten een theatrale eenheid smeedt van deze twee uiteenlopende korte opera’s. Maar na afloop overheerst de bewondering voor dirigent Marc Albrecht, die beide muzikale werelden even sfeervol en eigen tot leven wekt.