Bij de vrouwen is Japan voor nu hét schaatsland

Japanse dominantie

De Japanse vrouwen blinken vroeg in het seizoen uit. In Heerenveen wonnen ze vijf keer goud. „Het kan nog heel veel beter.”

Foto ANP/Vincent Jannink

Het is iets wat Jorien ter Mors frustreert. „Je hoort het elke keer: halen we als Nederland alle gouden medailles, dan doen we het te goed voor het schaatsen, nu is het ook weer niet goed omdat we geen goud halen.” Ze glimlacht. „Tja, wat moet je dan, hè?” Het gaat zondag in de catacomben van Thialf over de Nederlandse prestaties tijdens de eerste wereldbeker van het olympisch seizoen. Die vielen, verwend als schaatsland Nederland is, vooral bij de vrouwen wat tegen. Eén keer goud, voor Antoinette de Jong. En over het land dat vrijwel al dat goud wel pakte: Japan.

Thialf was bij de vrouwen van Nao Kodaira (31) en Miho Takagi (23). Kodaira was vorig jaar al dominant op de 500 meter, maar is zo mogelijk op die afstand alleen maar sterker geworden. Ze won in Heerenveen beide 500 meters – vrijdag verbeterde ze met 37,29 het baanrecord van de Zuid-Koreaanse Sang-hwa Lee met ruim drie tienden, een dag later kwam ze met 37,33 in de buurt bij haar nieuwe toptijd. Zondag won ze de 1.000 meter in 1.13,99, slechts negen honderdsten boven het baanrecord van de Amerikaanse Brittany Bowe.

Nieuw wereldrecord

Takagi was de motor in het Japanse trio tijdens de ploegenachtervolging, dat vrijdag een nieuw wereldrecord reed – het oude werd in 2009 door Canada gereden op het snelle ijs van Calgary. Ze won zaterdag bovendien afgetekend de 1.500 meter en werd zondag tweede op de 1.000 meter. Tijdens het WK allround in Hamar had ze in maart dit jaar al laten zien als voornaamste uitdager voor Ireen Wüst in het allrounden voor de komende jaren.

De Japanse vrouwen maakten indruk op de Nederlandse. Dat ze goed waren, wisten ze al wel, maar zo snel al, zo vroeg? „Ik vind het wel opvallend, ja”, zegt Marrit Leenstra na haar vierde plek op de 1.000 meter. „Je zag ze vorig jaar al beter worden, maar ze steken er nu echt bovenuit. Moeten we rekening mee houden. Dat record op de ploegenachtervolging ook, daar schrokken we toch een beetje van.”

Kodaira staat even later wat verlegen en beduusd voor een van de tv-camera’s. „1.13, ja, dat was eh… hard”, zegt ze al lachend in het beetje Nederlands dat ze inmiddels spreekt; ze woonde en trainde enkele jaren in Nederland. Waarom het dan nu zo hard gaat? „Geen idee, gewoon goede training?”

„We hebben de afgelopen twee jaar laten zien dat we eraan komen, we hebben nu weer een stapje gezet.”

Bij Johan de Wit, de Nederlander die sinds 2015 verantwoordelijk is voor de Japanse allrounders, dus wel voor Takagi en niet voor Kodaira, heeft de lichte verbazing van vorig jaar inmiddels plaatsgemaakt voor zelfverzekerdheid. „We hebben de afgelopen twee jaar laten zien dat we eraan komen, we hebben nu weer een stapje gezet. Had ook verwacht dat we weer wat beter waren geworden, maar het verbaast me wel dat het zo hard gaat.” Ook hij kan niets speciaals aanwijzen dat de nieuwe sprong van de Japanse vrouwen zou verklaren. „Gewoon nóg iets harder getraind.”

Misschien pieken de Japanse vrouwen wel te vroeg, klinkt het in de catacomben. „Het zijn nog geen Spelen, hè? Het blijft een spelletje om dat op het juiste moment te doen”, zegt Ter Mors. De Wit vindt de discussie over pieken „flauwekul” en volgens hem valt er nog genoeg te verbeteren. „We hebben net een hoogtestage gehad, hard getraind, zijn net bezig met een jetlag verwerken. Wat we nu laten zien, is nog niet genoeg voor de Spelen. Het is mooi dat we veel winnen, maar ik vind niet dat we énorm goed rijden. Als alle afspraken goed worden nageleefd, kan het nog heel veel beter.”