Rondje Dappermarkt

De aanblik van toetsenbord en scherm maakt me lusteloos: ik moet hier weg en wel nu. Naar beneden, fiets uit het rek, naar de markt. Het langgerekte bad van prikkels in. Mijn ringslot heeft het sleuteltje zijn vrijheid nog niet teruggegeven of mijn zintuigen openen zich. Het knisperen van papieren zakken waar peren in verdwijnen – „anders nog iets?” –, het geroezemoes van langslopend volk, het krijsen van meeuwen boven onze hoofden: de Dappermarkt maakt muziek maar weet dat zelf niet. Ieder kraampje is een lid van Het Spontaan Orkest.

„Alsjeblieft!” zegt, nee zingt een verkoopster. Het gaat van ás-je-blieft, met de ‘as’ als hoogste en ‘blieft’ als laagste noot die gezellig lang wordt aangehouden, vitaal, springlevend. Jassen met tijgerprints vullen mijn beeld, twee middelbare vrouwen bespreken een „knalgroene broek met van die witte strepen eronder”: geen idee waar dat over gaat en dat maakt het alleen maar mooier. Een knalgroene broek en de geur van stroopwafels en vers gepofte kastanjes: ik zeg ja.

Luisterend en kijkend en snuivend snap ik weer dat Amsterdam marktstad nummer één is

Ik vraag de marktkooplui niet hoe het gaat. Geen zin in klaagzangen over teruglopende omzetten en slechte regelgeving. Luisterend en kijkend en snuivend snap ik weer dat Amsterdam marktstad nummer één is. Dagelijks word je in 020 vanachter meer kraampjes toegeroepen dan in de andere vier grote steden bij elkaar. Ik luister naar Ome Tom in zijn poffertjeskraam: hij vertelt twee Italianen hoe zij de deeghoopjes van hun bordjes moeten prikken zonder al dat poedersuiker in hun neus te krijgen. Toms grap over neus en poeder lijkt het jonge stel te amuseren – even later zit het gedwee aan zijn enige tafeltje en geloof het of niet, de bordjes gaan leeg.

En zie al die mensen nu eens graaien in de bakken met mutsen en handschoenen, alles van kunstwol want slechts één euro per stuk. ‘Niet ruilen, geen geld terug’: zo hoort dat. Alles nep maar geen gezeik.

„Hé, Appie!” Een Marokkaan, denk ik meteen. En ja hoor, Appie met zijn baardje roept iets pikants terug naar de Hollandse collega die hem uitdaagde, oorzaak onbekend. Vrouwenhanden glijden langs shawls die zijdezacht wiegen in de koele novemberwind, en Diana Ross zingt: Why do they fall in love?

Tijdens mijn rondje Dappermarkt waan ik me Jim Carrey in The Truman Show: alsof iedereen hier meewerkt om mijn batterij op te laden. Verkopers lachen luidkeels en boven de vissen die in lange rijen liggen te glimmen is het voorkomendheid wat de klok slaat. Per kraampje veer ik op, mijn tred wordt groter, mijn rug rechter. „Amaryllissen, natuurlijk lieverd, stukkie d’r af?”

De broodverkoper is even weg en meteen fladdert een duif zijn kraampje binnen om de snijplank schoon te pikken. Nooit zoiets gezien. Een meisje met een rode ballon vergaapt zich aan een babyblauw helikoptertje dat gilt en piept op de doos waaraan het vast zit.

Een koudefront nadert de grijze, nattige stad, maar ik ben warm en vol energie; zin om aan het werk te gaan.

Auke Kok is schrijver en journalist.