Recensie

Net als het eetcafé om de hoek

De Nissan X-trail wint geen stijlprijs. Zijn ‘normaalheid’ levert echter veel punten op, vindt
De Nissan X-trail bij VKV Groep in Rotterdam. Foto Peter de Krom

Dat dit nog bestaat: een bij invallende zon onleesbaar infotainmentscherm! Dat mini-maatje ook: TomTom. Zo winnen jullie nooit de stijlprijs, Nissan. Terwijl concernzuster Renault jullie de moeder dist met knoeperds van iPad-borden die als grafzuilen tegen het dashboard leunen, de navigatiekaarten haarscherp in het scherm gegrift als de Geboden in de Stenen Tafelen.

De Nissan X-Trail brengt het beeldgebeuren zoals BMW tot vijftien jaar geleden. Bescheiden 7 inch-display, met knoppen links en rechts die je meteen begrijpt – de logica van toen was zo beroerd nog niet. De periodieke onleesbaarheid wordt opgevangen door het display tussen de, attentie, analoge snelheidsmeter en toerenteller. Dat geeft ook navigatiepijlen weer die je wél ziet.

Ik rij een handgeschakelde zesbak met een nostalgisch weke speling in de schakelwegen. De hardplastic schakelaars voor de stoelverwarming bevolken Nissans onderdelenmagazijnen sinds de oertijd. Eerste associatie: Fisher-Price, knoppen als kleuterspeelgoed.

Vergis je niet. De X-Trail heeft actieve assistentiesystemen en led-koplampen, een Hill Hold Control die je de hellingproef bespaart door de handrem voor je vast te houden. Verhip, het schermpje blijkt een touchscreen! En hallo, het ongeoorloofd overschrijden van de rijbaan wordt verijdeld met een eigentijds panieksignaal!

Maar gans die hipheid gaat verloren in de oerconventioneel Japanse huisstijl. De Nissan X-Trail is een keurig bijgehouden, aan moderne eisen aangepaste doorzonwoning uit mijn puberjaren.

Kind van deze tijd

Het is dan ook een suv van Nissan en Nissans doen normaal. Ze zijn het eetcafé om de hoek. De biefstuk mag er geen Michelin-ster dragen, de gezelligheid kent er geen tijd, over de porties niks geen klagen.

Niettemin is hij genretechnisch helemaal een kind van deze tijd, dat de publieke smaak op de voet volgt. De eerste X-Trail was nog een voor het landleven geschapen werkhok met standaardvierwielaandrijving – waarvoor inmiddels flink moet worden bijgelapt. Offroad komt hij toch nooit verder dan de camping.

De X-Trail van 2017 is gewoon een kloeke voorwielaangedreven station in de werkmansdracht van een terreinwagen: optisch bedrog. Anderzijds levert Nissan voor minder dan 32.000 euro een kanon van een auto met 2.000 liter transportruimte. Daarmee schakelt hij a priori zijn concurrenten uit, die toch al buiten het gezichtsveld van de Nissan-rijder vielen. Een Skoda Kodiaq of Superb Combi hadden net gekund, maar een Citroën Berlingo mist het stukje uitstraling dat matige genieters toch niet willen missen. Zo’n Citroën-pakhuis vinden ze meer iets voor gepensioneerde onderwijzers, die op hun beurt Nissans veel te RTL vinden.

Nu moet ik even streng de Consumentenman uithangen. De Volvo-suv die ik vorig weekeinde besprak slikte 1.400 liter vracht, 600 minder dan de X-Trail. Hoe kan het dat die XC60 minstens 58 mille moet opbrengen – en de test-Zweed zelfs royaal over de 90.000 euro gaat? De X-Trail, een Dig-T Tekna, kost mét leer en schuifdak 40.000 euro. Welke privileges heeft de Volvo-man voor een bovenmodaal jaarsalaris meer?

Hij heeft 90 pk extra. Big deal. Vierwielaandrijving, met de wintersport als rotsmoes voor de spilzucht. Zijn auto ligt een snufje strakker op de weg. Het is geen vuilnisbakkenras, hij heeft stijl. Zijn beeldscherm is een wonderland van supervet interactief multimediatheater. Maar die halve ton betaalt de Volvo-man vóór alles om geen Nissan-man te hoeven zijn. Zijn biefstuk, in een Nissanvrije eetgelegenheid; ook twee keer zo duur maar niet veel beter.

De X-Trail heeft iets slonzigs dat me in zijn rauwe onverschilligheid voor aangeharkte Zweedse levenssferen aangenaam beroert. Hij duikt iets te lodderig maar safe een bocht in. Je voelt dat een deurpaneel of stoel het op een kraken of wiebelen zou kunnen zetten. Dat zal in de Volvo niet gebeuren.

Mocht hém een klein gebrek ontrieven, dan stapt de boze Volvo-man naar de dealer, die tot het gaatje gaat om hem zijn zin te geven. De filiaalchef weet: over drie jaar slaat mijnheer uit dankbaarheid een ton stuk.

De Nissan-mens, door geen rammel van zijn stuk te brengen, is intussen dik en terecht tevreden. Hij heeft net twintig kratten Heineken bij zijn voetbalcluppie afgeleverd en dat turboblokje „bleef maar gaan”, zal hij in het buurtcafé boven zijn biefstuk toeteren. „163 pk, ik zwéér het je.”