Klagen is teken van slechte smaak

Op de Achterpagina vertellen auteurs wat zij van hun moeder leerden. Vandaag schrijver Jaap Scholten: „Ze bracht ons bij, niet in woord maar in daad: je laat je door niets of niemand uit het veld slaan.”

Jaap Scholten op schoot bij zijn moeder, ca. 1965

Mijn moeder verliet mijn vader toen ik drie jaar was, hertrouwde met een man die in moeilijkheden verkeerde en die vijf jaar later de oplossing zocht door voor een trein te stappen. Hij was de liefde van haar leven. Als dertiger, een leeftijd waarop veel vrouwen nog zoekende zijn, had mijn moeder al een leven achter zich: tweemaal getrouwd, weduwe, met vijf kinderen en zonder een cent.

Ze volgde een opleiding, werkte als secretaresse bij Rank Xerox en als maatschappelijk werkster in het ziekenhuis. Wij verhuisden vaak, steeds naar een iets groter huis. Mijn broers en ik deden het sloopwerk, aannemer Weijermars herbouwde het. Wij groeiden op in bouwstof, ik ben daaraan verslaafd geraakt. Altijd ben ik ergens aan het bouwen of verbouwen – de droom en de belofte van een behouden huis najagend.

Het huis was vaak akelig donker en leeg als je thuiskwam. Door haar afwezigheid leerden mijn broers en ik ‘de kunst van het gezellig maken’. Wij, de vijf zonen, runden het huishouden, iedere zaterdag moest je je kamer opruimen en stofzuigen. Later stuurde zij ons op Oosterse vechtsporten en zorgde zij dat we naar de universiteit gingen, wat voor Twentse fabrikantenzonen niet vanzelfsprekend was. Maar één ding heeft zij ons boven alles bijgebracht, niet in woord maar in daad: je laat je door niets of niemand uit het veld slaan en je klaagt nimmer. Klagen is een teken van zwak karakter, slechte smaak en burgerlijk bovendien.

Je bewaart je monterheid en je manieren te allen tijde. Geheven hoofd, wat er ook gebeurt. Mijn moeder is nog altijd mooi, loopt er immer picobello bij, de haren in orde, lippen gestift, oorbellen in. Je laat je leven allerminst bepalen door de opvattingen van anderen want ‘mensen zullen toch altijd wel praten’. Je behandelt vrouwen met egards en je laat je niet afleiden door de telefoon want: ‘als het werkelijk belangrijk is bellen ze nog wel een keer’. Ze bracht een afkeer op mij over voor langdradige verhalen, pretentieus gedrag, wachtrijen (die zijn toch echt voor anderen bedoeld), smerige plees, zwartgerande nagels en mensen zonder humor. Ze leerde ons, net zoals zij dat zelf geleerd had, je op je gemak te voelen, of het nu met de Sjah van Perzië was of met een keuterboer op De Lutte.

Mijn moeder heeft ook minder charmante trekken overgebracht. Een onvermogen gevoelens te uiten, een wat hoekige vorm van empathie, een weinig realistische manier van plannen: elke seconde moet gebruikt worden (kwam ze op onze drie kleine kinderen passen en arriveerde met in een hutkoffer haar veronachtzaamde administratie die ze op orde zou brengen), een neiging tot impulsief handelen en een heimelijk verlangen naar chaos en oorlog – omdat we als gezin gedijen in tijden van stress en ons dan diep verbonden voelen.

Ik leerde van haar te zwijgen en de medemens niet te veel te vertrouwen. Zij groeide op in de oorlog en bezocht haar vader af en toe op de boerderij waar hij zat ondergedoken. Daar moet zij geleerd hebben haar mond te houden. In De Koppelboer heeft zij als 10-jarig meisje twee onderduikers de dubbele wand in de kast gewezen terwijl Duitse soldaten de boerderij kwamen binnengestormd. Vervolgens heeft zij, naast de kast staande, de nazi’s te woord gestaan zonder een krimp te geven.

Als de hel losbreekt en ik een partizanengroep moet vormen dan zal mijn moeder, na mijn vrouw en zonen, de eerste zijn die ik erbij vraag.