Er was niemand die meer wist over Mondriaan

Foto Roger Dohmen/HH

Als een vogeltje stak Joop Joosten in zijn rolstoel zijn nek uit en keek gebiologeerd naar het schilderij van Piet Mondriaan. „Gut, wie heeft dat gemaakt? Dat is fantastisch”, zei hij ontroerd. „Die lijnen, en die kleur, fantastisch!” De oude, aan dementie lijdende Joop Joosten wist aan het eind van zijn leven niet meer dat hij een autoriteit op het gebied van de abstracte kunst was en de grootste Mondriaanspecialist ooit. Hij had het schilderij honderd keer gezien. Zijn geheugen was zoek, zijn esthetisch vermogen onaangetast.

Aan de faculteit kunstgeschiedenis in Nijmegen had hij van professor Van der Meer geleerd dat kunstgeschiedenis maar één doel heeft: verhalen vertellen die mensen helpen om te kijken. Dat bleef zijn opvatting. In 1955 studeerde hij af op de ‘zuivere lijnenkunst’ van Johan Thorn Prikker. Hij hielp toen al mee tentoonstellingen te maken in het Gemeentemuseum Den Haag over Mondriaan en over de opkomst van de moderne kunst. In 1956 werd hij wetenschappelijk medewerker bij het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD) in Den Haag. In 1970 vroeg de directeur van het Stedelijk Museum hem de collectie te komen documenteren.

Intussen groeide hij uit tot het middelpunt van een internationale kring van onderzoekers van abstracte kunst. In 1986 ging hij naar de Verenigde Staten om onderzoek te doen naar De Stijl. Als iemand hem een vraag stelde, sprintte hij met drie treden de trap op naar zijn groeiende archief om het antwoord te halen. Er was niemand die meer wist over authenticiteit.

Twee jaar na zijn pensioen in 1990 was Joosten de drijvende kracht achter de grote Mondriaantentoonstelling van 1994 in Den Haag, Washington en New York. In betrekkelijk korte tijd legde hij tussen 1995 en 1997 de laatste hand aan zijn levenswerk: de Piet Mondrian: Catalogue Raisonné 1912-1944, over het abstracte werk. Dit standaardwerk verscheen in 1998.

Internationale erkenning kreeg Joosten in 2001, toen hem op een symposium in de VS bij het betreden van de collegezaal spontaan een staande ovatie ten deel viel. Het trof de eigenwijze maar verlegen man. In 2006 volgde Nederlandse waardering met een eredoctoraat in de Letteren van de Universiteit van Amsterdam. Zijn archief blijft een rijke bron waaruit nog generaties lang verhalen kunnen ontspringen over het ontstaan en het belang van abstracte kunst.

en