Column

Zit je lekker, in je belastingparadijs?

Japke-d. Bouma schrijft elke week over de taal die ze om zich heen hoort. Deze week: ‘belastingparadijs’.

Als ik één metafoor nooit goed begrepen heb, dan is het wel ‘paradijs’. En dan bedoel ik paradijs als metafoor voor lustoord, een paradijs op aarde, de ideale vakantiebestemming. Want ik denk bij ‘paradijs’ niet als eerste aan ruisende palmen, azuurblauwe zee en witte stranden maar aan het Chinese, Utrechtse restaurant Paradijs aan het Vredenburg met zo’n zwaaiend kattenbeeldje in de etalage. Waar je altijd veel te veel vette bami eet, met zo’n spiegelei erop.

Maar ook als meisje dat met de Bijbel is opgevoed leek het me nooit wat om je hele leven in het paradijs te zitten. In je blootje met zo’n vijgeblad en alleen maar die ene man uit wie je was ontstaan. En dan nog klem tussen al die dieren die zich maar onbeperkt konden voortplanten want niemand werd opgegeten.

Ik denk bij ‘paradijs’ niet als eerste aan ruisende palmen, azuurblauwe zee en witte stranden

Ik dacht ook aan mieren in je eten, obstipatie, verbranden in de zon, vogelpoep in je haar en zandvlooien tussen je tenen. En de hele dag niks te doen, want alles werd al geregeld door het opperwezen en het was natuurlijk niet de bedoeling dat je met puntjes van feedback kwam. Als vrouw was het in die tijd sowieso al helemaal een kwestie van je mond houden en breek daar je mooie hoofdje nou maar niet over.

Ik snapte Eva dus heel goed, dat ze zich uiteindelijk vergreep aan die appel, het enige waar ze niet aan mocht komen in dat paradijs. Toen Adam even met God in een meeting zat, plukte ze hem uit pure rebellie, samen met haar lange gladde vriendje, uit de boom en zette haar tanden erin. Vanaf dat moment viel de mens uit het paradijs en begon de lange, harde helletocht des levens met werken in het zweet uwer aanschijns enzo. Wat erg en zondig, zei vroeger iedereen in de kerk. Maar ik dacht altijd: hè hè, eindelijk een uitdaging.

‘Belastingparadijs’, de metafoor waarmee we de afgelopen week zijn doodgegooid na onthullingen uit de Paradise Papers, snap ik al een stuk beter: tropische eilanden waar geen schaamte is, met volgevreten, superrijke mensen erop die zich de tering vervelen en voortdurend op zoek zijn naar manieren om nóg meer belasting te ontduiken, o pardon, ‘ontwijken’. Daar moet ik voorzichtig mee zijn, wat ik opschrijf, want voor je het weet heb je een proces aan je broek.

Want belastingontduiking mag niet, belastingontwijking mag wél. Je mag dus niet duiken voor de wet, maar deze wel ontwijken. „Zag je die belasting aankomen? Ja, het scheelde een haar of ik had moeten duiken, maar ik kon hem nog nét ontwijken.” Mensen die belasting ontduiken komen in de gevangenis, mensen die belasting ontwijken komen in het belastingparadijs – en iedereen heeft levenslang.

Zag je die belasting aankomen? Ja, het scheelde een haar of ik had moeten duiken, maar ik kon hem nog nét ontwijken

Maar het mooiste aan de metafoor ‘belastingparadijs’ vind ik de dreiging die erin zit. Dat iedereen weet dat die slang een keer komt, of dat journalistencollectief, en dat dan de hele belastingconstructie in elkaar lazert. Want uiteindelijk kan natuurlijk niemand die appel weerstaan die daar in dat paradijs te glanzen hangt. Het is slechts een kwestie van tijd voordat iemand hem pakt, iedereen uit het paradijs wordt getrapt en aan het werk zal moeten. Het paradijs houdt niemand vol.

Zelfs de Chinees aan het Vredenburg stopt er op 27 november mee.

Taaltips op Twitter via @Japked