Cultuur

Interview

Een priester bezoekt een anonieme gemeenschapsgraf op het armenkerkhof op de Dag van de Doden.

Foto José Luis González

Wie in Mexico vermoord wordt, zal wel schuld hebben

De doden gedenken

Nu het geweld in Mexico hoog oplaait, liggen op begraafplaatsen ook veel jonge mensen. In grensstad Juárez is moorden vrijblijvend geworden.

Terwijl haar kleinkinderen tussen de graven tikkertje spelen, keert María de Jesús González de tamales om die liggen te garen op een barbecue. Deze met pittige kip gevulde maïspasteitjes waren het lievelingseten van haar kleinzoon Miguel, zegt de Mexicaanse. „Dus nu we hier vanavond bij hem zijn, heb ik ze weer gemaakt. Dat zal hem goed doen.”

De schemering valt al over begraafplaats De Eeuwige Tuinen in Ciudad Juárez. Maar de familie maakt nog lang geen aanstalten te gaan. Op deze Dag van de Doden willen ze het liefst tot het ochtendgloren bij Miguel blijven. Zijn grafnis en die van zijn vriendin Paola hebben ze versierd met kaarsen, lichtjes, cempasútchiles (een soort afrikaantjes), foto’s en een flesje cola. Op een klaptafel staan koffie, frisdrank en eten. Uit een luidspreker klinkt Miguels favoriete muziek.

Katholieken wereldwijd staan de eerste dagen van november stil bij hun overleden naasten. Maar Mexicanen vieren hun Dag van de Doden op ongeëvenaarde wijze. Begraafplaatsen stromen vol met families die picknicken op de graven. In hun eigen huis is dagen daarvoor al een altaar ingericht. De geesten worden naar het rijk der levenden gelokt met skeletten van vloeipapier en plastic, bloemen, suikeren doodshoofdjes, brood, hun favoriete ondeugden. En nu het geweld in Mexico weer ongekend hoog oplaait, zijn het in veel gevallen erg jonge mensen die herdacht moeten worden.

Foto José Luis González
Foto José Luis González
Foto José Luis González
De families van Miguel Gómez, Paola Padilla en Damián Alexis bezoeken de graven van deze drie jonge Mexicanen op de avond voor de Dag van de Doden. Ze kwamen afgelopen maanden door het escalerende geweld in Ciudad Juárez om het leven.
Foto José Luis González

Zo is dit de eerste Día de los Muertos dat Miguel Gómez (27) en zijn vriendin, de 19-jarige Paola Padilla, de oversteek uit het dodenrijk moeten maken. Op 10 december 2016 kwam een abrupt einde aan hun leven voor discotheek La Santa in Juárez. Na zijn dienst als chef-uitsmijter wilde Miguel met Paola wegrijden, toen zijn auto onder vuur werd genomen. Het stel was op slag dood. Een collega op de achterbank – het waarschijnlijke echte doelwit – schoot terug, raakte gewond en overleefde. De schutters ontkwamen, nadat ze eerst ook nog de achtervolgende politie onder vuur hadden genomen. In Miguels auto werden tientallen zakjes cocaïne en heroïne aangetroffen. De media schreven het incident toe aan de drugshandel. Twee dagen later was het uit de kranten verdreven door nieuwer geweld in de door drugscriminaliteit geplaagde grensstad.

Tussen 2007 en 2011 laaide het geweld in Juárez nog veel hoger op. Met ruim drieduizend doden per jaar was het de gevaarlijkste stad op aarde. De laatste paar jaar genoot de lokale bevolking van relatieve rust. Maar nu Mexico zijn dodelijkste jaar in de recente geschiedenis (reeds 21.200 moorden in de eerste negen maanden van 2017) beleeft, dreigt ook Juárez weer af te glijden. In 2016 werden in de stad ruim 600 moorden gepleegd. Dit jaar was dat aantal eind oktober al bereikt.

Sinds de dood van Miguel is Juárez alweer honderden moorden verder, maar voor zijn moeder Martha Ramírez Gonzalez is het leed nog vers. „Hoe langer hij er niet is, hoe meer ik hem mis. Hoe meer pijn het doet.” Soms belt ze zijn mobiele nummer. Dan doet ze alsof hij opneemt en praat ze tegen hem. „Nu zijn geest vandaag bij ons op bezoek is, kan ik pas echt met hem praten.”

Foto José Luis González

Een doodnormaal feest

Voor buitenstaanders is het dodenfeest een wonderlijk, welhaast macaber gezicht. Maar voor Mexicanen is het doodnormaal. „De Mexicaan is vertrouwd met de dood”, schreef schrijver Octavio Paz over zijn volk. „Hij maakt grappen over hem, koestert hem, slaapt ermee, viert hem. Het is een van zijn favoriete speeltjes en zijn trouwste liefde.”

De doodsverering voert duizenden jaren terug. Vóór de komst van de Spanjaarden zocht de inheemse bevolking zo contact met de doden. Na de kolonisatie versmolt dit met het katholieke Allerzielen en Allerheiligen. En het feest blijft zich vernieuwen: zo is er tegenwoordig een prominente rol voor La Calavera Catrina. Dit lachende vrouwelijk skelet met een sjieke Parijse hoed werd begin vorige eeuw vereeuwigd in een ets van een maatschappijkritische kunstenaar. La Catrina drukt uit dat of je nu arm of rijk bent, machtig of niet, er is maar één ding in het leven zeker: de dood.

Dat laatste valt niet te betwisten, maar arme Mexicanen worden wel veel vaker slachtoffer van het epidemische geweld. De ruim 150.000 doden die vielen sinds in 2006 het leger werd ingezet tegen de kartels, waarna de drugsoorlog escaleerde, zijn bovengemiddeld jong, laagopgeleid en arm.

Cristal

In Juárez laait het geweld het hoogst op in de armere buitenwijken. San Juan is zo’n buurt waar de drugsoorlog escaleert. Huizen hebben hier hoogstens twee verdiepingen, er is geen groen en het wegdek zit vol gaten. Braakliggende grond tussen de huizen doet dienst als autokerkhof of stortplaats.

Op een basketbalveldje zwermt op een maandag een groepje van vier pubers rond Israel Reed. Hij is een ex-bendelid dat nu als buurtwerker voor de Italiaanse ngo Tenda di Cristo de jeugd enigszins op het rechte pad probeert te houden. Dat is nog niet makkelijk, vertelt hij, wijzend naar Alberto (16) naast hem. De jongen – doodse ogen in een vriendelijk gezicht – gebruikt sinds een paar maanden cristal (methamfetamine). „Hoeveel kilo’s ben je al kwijt?”, vraagt Reed. „Acht ofzo”, antwoordt Alberto schuchter. Zijn zwarte trui floddert om zijn broodmagere puberlijf.

Cristal is een belangrijke reden dat de drugsoorlog in de wijk ontvlamt, legt Reed uit. Het Sinaloa-kartel produceert en pusht het, het Juárez-kartel wil de verwoestende drug juist niet in zijn stad hebben. Dat cristal voor Alberto toch te krijgen is, illustreert dat de wijk betwist gebied is. „Het is een zooitje hier. De sinaloenses zijn hier, La Línea [het Juárez-kartel, red.] natuurlijk, maar ook Los Zetas, Nueva Generación”, zegt Reed, alle grote Mexicaanse kartels opsommend.

Israel Reed, ex-bendelid en nu buurtwerker (rode shirt) met vier pubers uit Juárez. Links de 16-jarige Alberto, die sinds een paar maanden cristal gebruikt. Foto José Luis González

De jeugdbendes in deze wijken worden gerekruteerd door die kartels. Dat gaat zo, legt Reed uit: „Ze komen naar je toe en zeggen: ‘je werkt voor ons, of je werkt voor ons’. Je krijgt twee waarschuwingen. Na die tweede werk je voor ze, of ben je dood.” Een bendelid moet het eigen deel van zijn wijk bewaken. En meestal wordt hij ingezet als straatdealertje. Of als pollero, smokkelaar van migranten die de oversteek willen maken naar de VS.

Reed kwam zelf bij een bende, toen hij vijf jaar vastzat in de VS na een mislukte treinberoving in Texas. Na zijn uitzetting naar Mexico, bleef hij lid. Een ding heeft hij geleerd in de bende: „Als je niet uitkijkt, ga je eraan.” De pubers om hem heen knikken stoer mee.

Reed heeft minstens een dozijn vrienden verloren de afgelopen jaren. De laatste was ‘Drack’, vorige maand. „Hij was een Uber-chauffeur en werd gedood in zijn taxi.” Wat de aanleiding was, blijft onduidelijk. „Misschien was het een beroving. Misschien een afrekening.” Dealers gebruiken tegenwoordig de dekmantel van Uber-chauffeur, leggen de jongens uit.

Tijdens een rondje door hun wijk, wijzen de pubers aan tot waar ‘hun’ gebied loopt. Waar het tot veldslagen kwam. Daarbij werd vooralsnog slechts met stenen gegooid. Maar ze tonen ook een graffiti-afbeelding van Mozes, een leeftijdgenoot die vorig jaar vermoord werd. De tekst erbij: „Niet zij die doodgaan sterven, maar zij die vergeten worden.” Maar naar Mozes’ graf gaan ze op de Dag van de Doden niet: ze gaan hun wijk liever niet uit.

Bijna totale straffeloosheid

Circa 99 procent van de misdrijven in Mexico leidt niet tot vervolging. En dat zijn alleen die delicten waarvan aangifte is gedaan; omdat de politie op grote schaal geïnfiltreerd is door de kartels, proberen veel burgers niet eens meer hun recht te halen. Ze brengen zichzelf er alleen maar mee in gevaar. De activisten en journalisten die de banden tussen boven- en onderwereld nog wel onderzoeken, zijn vogelvrij.

Dat zoveel moorden niet tot vervolging leiden, vaak zelfs niet serieus onderzocht worden, vergroot de onveiligheid. Bij zoveel straffeloosheid wordt geweld vrijblijvend. Alle moorden belanden toch op de grote hoop van het narco-geweld. Dit geldt voor burgers, maar ook voor de autoriteiten zelf. Zo piekte het geweld in Juárez nadat de federale politie en het leger in 2010 de stad introkken om deze „te pacificeren”. Onder het mom van een grote schoonmaak doodden zij ook kleine criminelen en onschuldige burgers.

Mexico telt inmiddels ruim 30.000 verdwenen personen. Overal in het land duiken clandestiene massagraven op met lichamen, regelmatig in stukken gehakt om identificatie moeilijker te maken. Sommige zijn ook verbrand of in zuur opgelost. De locatie van de graven wijst er in veel gevallen op dat de autoriteiten op zijn minst weet van hun aanleg moeten hebben gehad. Ook buiten Juárez liggen ze. „Er wordt op bijna industriële schaal gemoord”, zegt Julia Monárrez, een onderzoeker aan studiecentrum Colef. „De hele Juárez-vallei is één grote necropolis”.

Mexico kent een moordcijfer van een land in oorlog, maar de samenleving reageert met stilte en onverschilligheid. „Niemand neemt het nog voor de slachtoffers op,” zegt Monarréz. Uit angst, maar ook omdat „er zoveel geweld is dat aan de samenleving een nieuwe moraal wordt opgelegd: het is de schuld van de slachtoffers zelf dat ze sterven.” De meeste komen uit bevolkingsgroepen met weinig politiek gewicht en weinig zichtbaarheid in de media. Over hen wordt vaak automatisch een moreel oordeel geveld. Hij zal wel iets op zijn kerfstok hebben gehad, hij had verkeerde vrienden, hij zal het wel verdiend hebben, enzovoort.

Crimineel in de wijk

Dat is lang niet altijd het geval, bewijst bijvoorbeeld het lot van Damián (19). Hij kwam op 19 januari om toen hij bij een straatgenoot voor het huis zat. Een schutter opende het vuur op Ángel, een bekende crimineel in de wijk. Damían werd geraakt door vier kogels, waarvan een in zijn hart, vertelt zijn moeder Isabel Ramírez, die deze avond ook op De Eeuwige Tuinen picknickt. Luide muziek schalt over de begraafplaats vanaf een podium waar een schoonheidswedstrijd voor Catrinas plaatsvindt, georganiseerd door een uitvaartondernemer.

Foto José Luis González
Foto José Luis González
Foto José Luis González
Deelnemers van een schoonheidswedstrijd voor Catrinas, georganiseerd door een lokale uitvaartondernemer.
Foto José Luis González

Damián, de helft van een te vroeg geboren tweeling, was een bijzondere jongen. Hij ging pas met twee jaar lopen, bleek autistisch. „Maar hij zette door en maakte zijn school af. Hij had net een baantje gevonden om een studie te kunnen betalen. En nu is hij er ineens niet meer.” Ze vindt het fijn nu bij hem te zijn. „Zo is hij niet alleen – en wij ook even niet.”

José Luis Castillo, daarentegen, zal ook dit jaar geen bezoek kunnen brengen aan het graf van zijn dochter Esmeralda. Op 19 mei 2009 verdween het toen 14-jarige meisje. „Ik was die dag een beetje ziek en liet haar zelf naar school gaan. Het domste wat een vader in Mexico kan doen: in dit land kan je nog makkelijker een meisje stelen dan een auto.”

De afgelopen acht jaar ging er geen dag voorbij dat de familie niet met Esmaralda’s verdwijning bezig was. „We zoeken haar levend. Maar ik ben ook niet helemaal gek. Ik weet dat de kans dat ze nog leeft niet groot is”, zegt Castillo.

Esmaralda’s verjaardag, Kerst, Oud en Nieuw; het zijn nog lastiger dagen voor Castillo, maar ook tijdens de Dag van de Doden doet haar vermissing extra pijn. „We willen haar een waardige begrafenis kunnen geven. Met het vinden van haar lichaam zouden we rust kunnen vinden. Zou eten ons misschien weer smaken, omdat we weten dat zij geen honger heeft. Kunnen we rusten, omdat we weten dat zij het niet koud heeft of misbruikt wordt. Al zullen we ook nadat we haar mochten vinden naar gerechtigdheid blijven zoeken.”

José Luis Castillo, de vader van de in 2009 verdwenen Esmeralda (toen 14). Foto José Luis González

Straffeloosheid

In Juárez zijn de vrouwenmoorden een exponent van de straffeloosheid. Weliswaar is negen op elke tien moordslachtoffers man, maar het zijn vooral vrouwen die geheel onschuldig vermoord worden. Duizenden meisjes en jonge vrouwen zijn sinds de jaren 80 ontvoerd, verkracht, gemarteld. Honderden anderen zijn vermist.

Bij deze aantallen kan het niet anders dan dat machtige mensen betrokken zijn. Criminelen, politie, militairen en notabelen zouden de vrouwen en meisjes misbruiken en dan (laten) vermoorden. Wat deze theorie ondersteunt, is dat het aantal verdwijningen toenam, nadat de federales en het leger in 2008 naar Juárez kwamen. De meisjes zouden door hen zijn opgeëist als ‘oorlogsbuit’.

Foto José Luis González

Vorig jaar zou een klein stukje van Esmaralda’s enkelbot zijn gevonden in de Navajo-geul, een afgelegen gebied buiten Juárez waar meer clandestiene graven zijn ontdekt. Nabestaanden doen hier zelf onderzoek, omdat de autoriteiten het nalaten. Maar Castillo vertrouwt de DNA-test niet en denkt dat de autoriteiten deze vervalst hebben om van hem af te zijn. Als het wel echt Esmaralda’s bot is, wijst dit op mogelijke betrokkenheid van militairen. Op de weg tussen Juárez en het Navajo-ravijn waren ten tijde van haar verdwijning zeker drie militaire checkpoints.

De autoriteiten doen dan ook weinig voor José Luís Castillo, behalve hem tegenwerken. Dossiers raken zoek. Bewijsmateriaal wordt niet goed opgeslagen. Pas in 2015, zes jaar na haar verdwijning, kreeg Castillo voor elkaar dat er 1,5 miljoen peso’s tipgeld voor Esmaralda werd uitgeloofd. Pas dit najaar kreeg hij de posters. Vijfduizend stuks die hij zelf mag ophangen. De datum van haar verdwijning, toch belangrijke informatie, staat er niet op. Wat Castillo vooral pijn doet, is dat het tijdstip van haar verdwijning onvermeld blijft. „Nu kunnen mensen denken: oh, het was vast een slecht meisje dat ’s nachts alleen op stap was.”

Wonen achter een slagboom

De onveiligheid leidt er toe dat de hogere middenklasse en de elite zich in toenemende mate opsluiten. Ze trekken zich terug in woonblokken die zijn afgesloten met hoge muren en schrikdraad, waar je alleen binnenkomt nadat gewapende bewakers het hek hebben opengerold. Anderen laten een bemande slagboom in de straat zetten. Ook veel winkels, horeca en banken hebben seguridad privada.

In Las Misiones, een splinternieuw winkelcentrum, kunnen gegoede Mexicanen zich laven aan consumentisme in de Amerikaanse stijl. Voor een Texaanse restaurantketen dralen drie grofgebouwde lijfwachten, hun vuurwapens zichtbaar aan hun riem. Hun opdrachtgevers, vier mannen in pak en hun Amerikaanse gast, doen zich binnen te goed aan een lap vlees.

Sjabak Montana zit een tafeltje verderop te eten. Zij heeft de kleerkasten ook zien staan, maar het geeft haar niet per se een veilig gevoel, vertelt ze terwijl ze gegrilde zalm met groene asperges eet. „Het zijn vaak de malandros [schurken, red.] die door zulke types beveiligd worden.”

Montana (36) leidt in de stad een privéschooltje. Ze is sinds vier jaar weer terug, nadat ze Juárez ontvluchtte in 2009, zoals meer rijkere inwoners deden. Montana koos voor Montreal. In het begin was het niet makkelijk – goedkope noedelsoep eten met huisgenoten die ze amper verstond – maar de berichten die ze over haar stad las, deden haar nimmer twijfelen. „Het was hier een oorlogsgebied.”

Nu het geweld opnieuw oplaait, denkt ze erover voorgoed weg te gaan. Voor het gros van de Mexicanen is dat geen optie, als ze dat al zouden willen. Zij hebben te leven met het escalerende geweld.

Het anonieme gemeenschapsgraf op het armenkerkhof. Foto José Luis González

Tijdens La Violencia steeg het aantal doden zo snel, dat de begraafplaatsen in de stad de lijken niet meer konden bergen. Aan de rand van de stad groeide Panteón San Rafael uit tot de nieuwe necropolis. De zanderige begraafplaats in de woestijn is nu bekend als het armenkerkhof. Op de Dag van de Doden strijken vanaf ’s ochtends vroeg duizenden mensen neer op het doolhof van graven. Overal worden zerken gepoetst, kruizen met verf bijgewerkt, bloemen en planten neergezet. Er wordt gegeten en gedronken. Uit autoradio’s waaieren flarden harde muziek. Mariachi’s trekken rond om de favoriete liedjes te spelen van de overledenen.

Onbekende doden

Op één grafveld is niemand te vinden. Fosa común, staat er op een muurtje. Dit is het gemeenschapsgraf, waar lijken worden begraven die niemand heeft opgeëist. Omdat de familie niet weet dat ze gevonden zijn, of bang is dan zelf slachtoffer te worden. Na druk van activisten worden ze sinds enige jaren afzonderlijk begraven en wordt eerst dna-materiaal afgenomen. Bij een paar graven is inmiddels een zerk of kruis met de naam gezet. Maar bij de overgrote meerderheid staat alleen een paal met een wit nummer.

Verderop op de begraafplaats staat een familie rond een vers graf. Pedro Rodríguez Hernández (29) werd twee maanden geleden in zijn huis doodgeschoten. Zijn twee kinderen en vrouw overleefden. Terwijl haar kinderen bloemblaadjes uitstrooien over het graf van hun oom, vertelt zus Angelica dat haar broer in de drugs zat. „We hebben hem zo vaak gewaarschuwd, gevraagd ermee te stoppen. Maar hij wilde niet luisteren.” Ze kijkt boos, maar klinkt verdrietig.

Een grafsteen is er nog niet. Daarvoor moet eerst nog gespaard worden. De familie eet zelfgemaakte gorditas (dikke tarwetortilla’s, gevuld met vlees). De kinderen lurken aan een fles cola. Voor Pedro is niks meegenomen. Zijn tante verklaart: „Of hij eet, of wij.”

De familie Hernández bezoekt op de Dag van de Doden het graf van de onlangs vermoorde Pedro.Foto José Luis González