Interview

‘We moeten af van het beeld van de luie, arme Afrikaan’

Alain Mabanckou Migratie, identiteit en de relatie tussen Afrika en Europa zijn de thema’s van de Congolese schrijver Alain Mabanckou. Nu is een boek van hem vertaald.

‘Ik kom eraan”, roept hij vanaf de stoep, „even dit verhaal afmaken”. De twee Amerikaanse fotografen die speciaal voor hem de oceaan zijn overgevlogen, worden na twee minuten ten afscheid lachend omhelsd. Dan komt hij de brasserie binnen, een donker barbecuerestaurantje in het multiculturele elfde arrondissement van Parijs. Pronkstuk is een opgezette, maar levensechte halve Canadese beer die de muur uit komt zetten, met knalroze zonnebril.

De Congolese schrijver Alain Mabanckou (1966) heeft er geen oog voor, hij verontschuldigt zich dat hij me een uur heeft laten wachten, bestelt koffie, zegt hoe blij hij is dat hij nu ook in het Nederlands wordt vertaald en begint aan zijn volgende verhaal. „Bent u ooit in Congo-Brazzaville geweest? Als je er aankomt, zie je de Côte Sauvage, aan die kust werken de vissers, geholpen door een heleboel dakloze kinderen. Aan het eind van de dag mogen ze dan een paar vissen meenemen. Mijn boek is een hommage aan alle kinderen die op straat leven.”

Mabanckou, welbespraakt en charismatisch, is een man op de toppen van zijn kunnen, met een oeuvre van romans, verhalen en essays. Hij doceert al jaren aan de Universiteit van Californië-Los Angeles en bezette vorig jaar de leerstoel Création artistique aan het prestigieuze Collège de France in Parijs. Migratie, identiteit en de relatie tussen Afrika en Europa – het zijn vanaf het begin Mabanckous thema’s in zijn werk.

In ‘Petit Piment’ (‘Prins Peper’), het eerste boek dat van u in het Nederlands verschijnt, vermengt u uw eigen jeugdherinneringen met die van iemand die u ontmoet heeft. Wie is ‘Petit Piment’?

„Het is een vagebond, een clochard, die ik in 2012 in Congo-Brazzaville heb ontmoet. Hij wist dat ik schrijver was en zei tegen me dat hij in mijn boek wilde komen. Ik beschrijf zijn jeugd, zijn avonturen, het sociale leven in Afrika in de jaren zeventig en begin jaren tachtig. Het is het echte leven, het leven in al zijn rauwheid. Petit Piment is een kind van de straat, dat zoals zovelen, opgroeit zonder vader of moeder. In zijn geval neemt een prostituee hem mee naar huis, geeft hem te eten.”

Petit Piment wil graag in uw boek komen, in dit deel van de wereld willen velen dat juist niet. Waarom is dat zo belangrijk voor hem?

„We moeten nu eens ophouden te zeggen dat de Afrikaanse cultuur een orale traditie heeft. Je moet de geschiedenis, het collectieve imaginaire van een continent ook op papier zetten. Het geschrevene blijft, het orale kun je vervalsen en verdraaien. Iedere keer als een Afrikaan schrijft, draagt hij het gewicht van decennia kolonisatie met zich mee, van eeuwen slavernij. Lange tijd namen anderen het woord, niet de Afrikanen zelf. De Fransen schreven onze geschiedenis. Voor mij is literatuur het herschrijven van de geschiedenis. Petit Piment is een bladzijde die je niet vindt in de Afrikaanse geschiedenis die door Europeanen wordt geschreven.”

Petit Piment ontvlucht het weeshuis waarin hij opgroeit en de marxistisch-leninistische discipline die het regime de leiding oplegt. Hij belandt op straat, totdat prostituees zich over hem ontfermen. Als ook zij door het dictatoriale regime worden afgevoerd, raakt hij emotioneel ontwricht. Hij verliest zijn geheugen, maar neemt wraak. Moeten we dit lezen als een metafoor?

„Het is inderdaad een soort fabel. De Afrikaanse maatschappij van nu hangt van waanzin aan elkaar. Alle hoon ten spijt is het wondermiddel daartegen nog niet gevonden. Afrikaanse dictators vergroten de gekte: hoe waanzinniger het volk, hoe langer ze rustig aan de macht kunnen blijven.

„Prins Peper is het verhaal van een individu dat woedend is, dat de verdwazing van het sociale systeem, opgelegd door dictatuur, wil overwinnen. Daarom valt hij de man aan die dat politieke systeem vertegenwoordigt, de burgemeester van zijn stad.”

En zijn geheugenverlies?

„Petit Piment vergeet steeds meer, hij wordt langzaam gek, denkt hij. Maar in zijn waanzin zegt hij juist de waarheid. Hij kan de juiste woorden niet meer vinden, betreurt het dat hij zijn bijwoordelijke bepalingen, waaraan hij zo gehecht is, kwijtraakt. Hij gaat naar de dokter, eerst naar een blanke, dan naar een Afrikaanse. Maar noch de een noch de ander kan hem helpen. De enige oplossing voor zijn ziekte ligt in zijn eigen wil, in de wil van het individu. Het individu moet de windmolens te lijf gaan en vechten voor een waardig en integer leven. Geen arts, zwart of blank, kan je redden van een waanzin die alleen te genezen valt door een objectieve lezing van de geschiedenis van het Afrikaanse continent.”

In uw boek vind ik een paar clichébeelden over Afrika: corruptie, lijden, vrolijkheid om dat lijden te bestrijden. Maar ook een personage dat tot handelen overgaat. Welk nieuw beeld wilt u geven van Afrika?

„We moeten af van het beeld van de luie, arme Afrikaan. De toekomst ligt in de handen van de jongeren, ze zijn slim en schrander. Afrikaanse politici en demagogen proberen hen van hun droom af te houden. Afrika zoekt zichzelf, elke dag opnieuw, en corrigeert de bladzijden van de geschiedenis. Petit Piment heeft het moeilijk, leeft zijn leven, maar hij kijkt tegelijkertijd in de achteruitkijkspiegel om te ontdekken waar die problemen vandaan zijn gekomen. Na de kolonisatie, in de jaren zeventig, kwamen de Afrikaanse dictators, het communisme, het marxistisch-leninisme, met leiders die zeiden dat zij wel voor het volk nadachten. De jeugd weet nu wel beter.”

De titel van uw inaugurele rede aan het Collège de France luidde: ‘Lettres noires, des ténèbres à la lumière’, u wilde de ‘zwarte letteren’ uit het donker halen en in de spotlights zetten. U gaf college over Afrika in de literatuur, post-koloniale literatuur, globalisering en dekolonisatie, over wat het betekent zwart te zijn in de wereld van nu. U schiep de hashtag #revolutionbassinducongo. U neemt als schrijver ook een politieke positie in.

„Mijn hele strijd is verbonden met mijn obsessie: hoe kan ik het zelfbewustzijn van de jongeren prikkelen, hun nieuwsgierigheid aanwakkeren en hen uitleggen dat hun toekomst niet geblokkeerd is, dat er wel degelijk zicht is op verandering. Maar om dat te bereiken hebben ze een soort ‘existentialisme’ nodig, ze moeten iedere dag weer gemotiveerd worden om uit de duisternis te stappen waarin ze door het verleden terecht zijn gekomen.

„Met mijn hashtag laat ik zien dat er in Afrika een nieuwe wind aan het waaien is. Veel presidenten zitten er al decennia. Maar in Burkina Faso is de president verjaagd, in Angola is Jose Eduardo dos Santos weg, in Togo wordt de president onder druk gezet, het zal niet lang meer duren of er zullen overal revoluties plaatshebben. De Afrikaanse lente komt eraan. Met intellectuele denkers en schrijvers uit de hele wereld bereiden we die lente voor, en we kijken vooruit naar het erná.”

Op een recent festival in Parijs was de leus ‘L’avenir sera africain’, de toekomst zal Afrikaans zijn.

„Ja, maar ook het heden moet Afrikaans zijn. Ik wil geen afrofuturisme bedrijven, het gaat mij om het hier en nu.”

Een boek over uw werk, een literair portret van u, draagt de titel ‘schrijver en trekvogel’. Hoe beïnvloedt het feit dat u zo permanent over de wereld vliegt uw schrijverschap?

„Een vogel die nooit reist heeft niets te vertellen, hij kent alleen de tak waarop hij zijn nest heeft gebouwd. Een trekvogel ontdekt dat er mangobomen zijn, slaapt in een veld met rozijnen, ziet sneeuw, weet dat er landen zijn die twee en die vier seizoenen kennen. Een vogel die Congo verlaat, leert over Napoleon, de Bastille, over Vichy, hij hoort hoe Afrikanen in Frankrijk worden geminacht. Dus als Fransen ons dan vervolgens lessen in humanisme komen geven, wijzen wij hen erop dat ze zelf, in hun geschiedenis, beulen zijn geweest. Wij hebben altijd gedacht dat Europa zo’n mooie cultuur had, maar als je beter kijkt zie je wat anders.”

Toen ik u vorig jaar beluisterde, op een festival in Manosque, sprak u over het Franse pessimisme, over het feit dat Frankrijk altijd over zichzelf spreekt in verkleinwoorden, in tegenstelling tot de VS, waar u een groot deel van de tijd woont. Nu is er een Franse president die de zaken groot ziet.

„Als je voortdurend zegt dat je zo klein bent, zal iedereen je ook als klein zien. Frankrijk onderschat zijn aantrekkingskracht in de wereld, het is de enige grote macht in de wereld die harakiri pleegt, door voortdurend te roepen ‘c’est foutu’, ‘het is voorbij, het is afgelopen, het lukt nooit.”’

Met president Macron lijkt er toch wat veranderd.

„Als president Macron groot wil zijn, moet hij dat niet alleen zeggen, maar ook bewijzen. In tegenstelling tot Amerikanen hebben Fransen geen echt nationaal gevoel. Je kunt er niet over nationale sentimenten spreken, want dat associeert iedereen meteen met extreem-rechts. Maar het woord ‘patriot’ is verbonden met het gevoel een geschiedenis te delen en samen een stap vooruit te doen naar de toekomst. Grandeur is ook de kracht anderen te erkennen.

„Macron heeft met sommige uitspraken Afrikanen tegen zich in het harnas gejaagd, hij heeft een minister van Buitenlandse Zaken benoemd die met dictators onderhandelt. Welke politiek gaat hij voeren ten opzichte van Afrika? Stilte. Vraagteken. Er zijn nog zoveel zaken niet geregeld: de verhouding tot de oude koloniën, de kwestie van de Afrikaanse migranten, de houding tot de islam, de banlieue. Als er niets verandert, blijf je hangen in françafrique, de oude politiek in Afrika. Zolang dat zo is, kun je niet verder.”