Opinie

Snoer mij de mond, smeekt de rechtse populist, dan win ik

ging op een universiteit in New York in debat met een Duitse rechts-populist – academici protesteerden tegen dat podium voor de ‘foute’ politicus. „Dat werd zijn zege.”

Leden van de Alt-Right-beweging verdedigen het standbeeld van Thomas Jefferson tegenover protestanten. Foto Samuel Corum / Getty Images

Rechtse populisten hebben één ding met elkaar gemeen: een uitgesproken vorm van zelfmedelijden; het idee dat zij het slachtoffer zijn van de linkse media, academici, intellectuelen, ‘experts’, kortom van de zogenaamde elites. Die elites, in de Weltanschauung van rechts, hebben de wereld in hun greep en het gewone, vaderlandslievende volk wordt systematisch de mond gesnoerd.

Dit idee is nu enigszins uit de tijd. De politiek van de meeste landen in het Westen wordt allang niet meer gedomineerd door linkse partijen. En de invloed van voorname liberale kranten, zoals The New York Times of, waarom niet, NRC Handelsblad, is allang niet meer wat het was. Talkshow-presentatoren op radio en tv, en populaire dagbladen, zoals de Britse tabloids, die net als de kabeltelevisie in de VS haast allemaal in handen zijn van Rupert Murdoch, zijn veel invloedrijker. Om maar te zwijgen van de sociale media, die bol staan van extreem-rechtse propaganda.

Invloed is natuurlijk niet hetzelfde als prestige. Net als de beste universiteiten, hebben de serieuze dagbladen nog steeds een zekere status. Bild is geen Frankfurter Allgemeine Zeitung, De Telegraaf heeft niet het cachet van NRC, en The Times heeft meer aanzien dan The Sun.

Status wekt tegenwoordig in rancuneuze kringen meer jaloezie en wrok dan rijkdom of faam. Neem Donald Trump: hij is schatrijk en was veel bekender dan alle andere kandidaten voor het presidentschap, bekender zelfs dan Hillary Clinton. Toch verkeert hij in een permanente staat van woede ten opzichte van mensen die meer sociale of intellectuele achting genieten dan hij. Zijn politieke succes kan worden verklaard door het feit dat hij die nijd deelt met miljoenen mensen die een stuk slechter af zijn.

Tot voor kort hadden extreem-rechtse figuren überhaupt geen prestige. Zij opereerden in de marge van samenlevingen waar de herinneringen aan nazi’s en fascisten nog levendig waren. Er kleefde aan dergelijke mannen (eigenlijk altijd mannen) een ranzige lucht van morsige regenjassen in pornobioscopen. Steve Bannon, de geruchtmakende adviseur van Trump, is nog een beetje zo iemand, groezelig, ongeschoren, bijna haveloos.

Haast salonfähig, zou je zeggen

Er is inmiddels veel veranderd. De jongere leiders van uiterst rechtse bewegingen dragen eerder blauwe maatpakken (vaak met hun initialen op de manchetten), een type dat ook in Nederland niet onbekend is. Zij doen denken aan de fascistische dandy’s in Frankrijk en Italië van voor de oorlog. Zij voelen zich meer thuis in tv-studio’s dan in volle zalen met brullende bierdrinkers. Sommigen hebben zelfs een soort gevoel voor humor. Haast salonfähig, zou je zeggen. Racisme en fanatisme verhuld in quasi-redelijke uitlatingen, vaak in bekakt accent. Een kenmerk van nieuw rechts is dat het zo graag chic wil lijken.

Onlangs had ik de gelegenheid om zo’n betrekkelijk jonge rechtse ideoloog te ontmoeten. Wij waren beiden gevraagd voor een studiedag in Bard College in New York. Bard staat bekend als een vrijzinnige, tamelijk linkse instelling. De conferentie ging over het oprukkende populisme van rechts in Europa en de VS. Mijn tegenhanger was Marc Jongen, de zogenaamde ‘partijfilosoof’ van Alternative für Deutschland. Jongen heeft een Nederlandse vader en een Italiaanse moeder. Hij werd geboren in Zuid-Tirol, waar een groot deel van de bevolking Duits spreekt. Zijn Engels was uitstekend.

Zelfmedelijden kwam snel naar boven drijven. Hij beschreef Merkels besluit om een miljoen vluchtelingen op te nemen als een ‘daad van geweld’ tegen het Duitse volk. Immigranten en vluchtelingen werden beschreven als misdadigers. Het Duitse volk wordt van haar identiteit beroofd door de islam. Mensen die denken zoals Jongen worden altijd uitgescholden voor nazi. En zo nog meer.

Tactisch was het een blunder

Mij was gevraagd om met tegenargumenten te komen. Ik was niet zo onfatsoenlijk om Marc Jongen een nazi te noemen. Maar ik deed mijn best om te betogen waarom ik zijn ideeën niet deel. Daarmee was het wat mij betreft gedaan.

Maar vrijwel onmiddellijk barstte er een academische storm los. Meer dan vijftig vooraanstaande Amerikaanse geleerden schreven een open brief, waarin protest werd aangetekend tegen Bard College. Jongen had nooit moeten worden uitgenodigd. Niet dat Jongen geen recht had op zijn mening. Maar Bard had zijn prestige niet moeten lenen om die mening legitiem te maken. Door hem te vragen, had Bard hem aanzien verstrekt.

Dit lijkt mij een bedenkelijk standpunt. Als je een conferentie organiseert over rechts-populisme is het geen slecht idee om van zo’n populist te horen wat hij te zeggen heeft. Er valt weinig te leren van een aantal linkse professoren die een idee afwijzen zonder precies te weten waar het om gaat. Bovendien is het onduidelijk waarom een politicus van de grootste oppositiepartij in een belangrijk democratisch land zou moeten worden geweerd van een Amerikaanse campus. Linkse revolutionairen waren niet zo lang geleden volop te zien in universiteiten. Acties om hen niet toe te laten zouden terecht tot protesten hebben geleid.

Het protest tegen de uitnodiging van Marc Jongen was intellectueel incoherent. Tactisch was het een blunder. Het bevestigde de klaagzang in rechtse kringen dat ‘liberals’ de vijanden zijn van de vrijheid van meningsuiting, en dat rechtse populisten altijd het slachtoffer zijn van linkse intolerantie.

Na de conferentie op Bard College dacht ik dat Marc Jongen op een beleefde manier onderuit was gehaald. Maar door het protest veranderde zijn nederlaag ten slotte toch in een zege.

Lees ook: Eerst was het Fortuyn en nu weten de media zich geen raad met Baudet, schrijft Ivar Staal.