Opkomende economieën subsidiëren westerse toptijdschriften

Open access

Online toptijdschriften met vooral westerse bijdragen kunnen overleven door bulk-journals, waarin met name auteurs schrijven uit landen als China.

foto iStock

Opkomende ecnomieën als China en India maken het mogelijk dat westerse onderzoekers in hoog aangeschreven, zeer selectieve tijdschriften kunnen blijven publiceren. Dat is de uitkomst van een onderzoek naar het nieuwe, open access zakenmodel van wetenschappelijke uitgevers. De publicatie verscheen in het oktobernummer van het tijdschrift Journal of Scholarly Publishing. Eerste auteur is Jacintha Ellers, hoogleraar Ecologie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. „Ik ben vóór open access, maar niet zoals het nu gaat”, zegt Ellers.

Traditioneel zijn wetenschappelijke tijdschriften alleen toegankelijk voor degenen die een abonnement betalen. Maar dat model maakt snel plaats voor open access, waarbij artikelen voor iedereen online te lezen zijn. Financiering van dit model gebeurt via de article processing charge (apc); onderzoekers betalen een vergoeding voor het gepubliceerd krijgen van hun artikelen. „Maar in dit model wordt het voor zeer selectieve tijdschriften lastig om op zichzelf te overleven”, zegt Ellers.

Hoog aangeschreven tijdschriften als Nature en Science wijzen ruim 90 procent van alle inzendingen af, en publiceren structureel rond de 900 artikelen per jaar. „Maar alle kosten voor het verwerken, het laten beoordelen, het afwijzen van al die duizenden artikelen krijg je niet gedekt met de apc’s van de papers die uiteindelijk worden gepubliceerd”, zegt Ellers.

Bulktjdschriften

Daarom hebben uitgevers open access bulktijdschriften opgezet, die juist heel veel publiceren, vaak met beperkte peer review (beoordeling van artikelen door vakgenoten). Ook ontvangen ze de afgewezen artikelen van de prestigieuzere, door dezelfde uitgever uitgebrachte bladen. De digitalisering heeft dit eenvoudiger gemaakt. Via dit zogeheten cascade-model houdt een uitgever zoveel mogelijk artikelen binnenshuis. Ellers: „De bulktijdschriften zijn de melkkoeien. Zij houden de zeer selectieve tijdschriften in leven.”

Met twee collega’s selecteerde Ellers vijf ‘mega-journals’ bij verschillende uitgevers, en ze zochten daar een elite-tijdschrift bij; onder andere PLOS ONE en Plos Biology van uitgever Public Library of Science, en Science Advances en Science van AAAS. Daarna gingen ze voor vijf opkomende economieën en vijf OECD-landen na hoeveel die tussen 2011 en 2015 in de verschillende tijdschriften hadden gepubliceerd – bij publicaties met meerdere internationale auteurs werden alle landen meegeteld.

Uit hun analyse komt dat China 18 procent van alle artikelen in PLOS ONE heeft (mee)geproduceerd, en maar liefst 37 procent van de artikelen in Scientific Reports van uitgever Nature Publishing Group. In de bijbehorende elite-journals scoorde China respectievelijk 5 en 7 procent.

Voor de westerse landen was het juist andersom. Ze publiceren beduidend meer in de elite-tijdschriften dan in de mega-journals. De Verenigde Staten bijvoorbeeld scoorden 62 procent in Nature, en 27 procent in Scientific Reports. Voor Groot-Brittannië was het 19 en 7 procent, voor Duitsland 16 en 7.

Met hun bijdragen aan de mega-journals subsidiëren de opkomende economieën de elite-tijdschriften, waarin vooral westerse landen publiceren, concluderen de onderzoekers. Bij Nature Publishing Group en PLOS was de ongelijkheid trouwens een stuk groter dan bij de andere drie uitgevers.