Nineveh: hoofdstad onder puin en zand

Archeologie

Nineveh in Mesopotamië was de hoofdstad van het eerste wereldrijk in de geschiedenis. Opgegraven pronkstukken, uit musea in de hele wereld, zijn nu te zien in het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden.

Handvat van een vliegenwaaier, 9de - 8ste eeuw v.Chr, gemaakt van goud, brons, ijzer en glas (collectie KMKG Brussel). Foto Raoul Pessemier

Hoofdsteden van wereldrijken kunnen verdwijnen en in de vergetelheid raken. Nineveh, hoofdstad van het Nieuw-Assyrische Rijk, is een voorbeeld. Het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden brengt de stad, die nog geen honderd jaar heeft bestaan, nu weer onder de aandacht van het publiek met een interessante en rijke tentoonstelling.

Terecht, vindt Daniele Morandi Bonacossi: „Het was de hoofdstad van het eerste wereldrijk in de geschiedenis. Verder was Nineveh, gesticht in 704 voor Christus door koning Senacharib, met honderdduizend inwoners toen de grootste stad ter wereld.” De hoogleraar Archeologie van het Nabije Oosten aan de Università degli Studi di Udine is kort na zijn landing op Schiphol op weg naar de opening van de tentoonstelling. Hij is een van de samenstellers van de wetenschappelijke publicatie bij de tentoonstelling.

Na de verwoesting in 612 voor Christus door de Babyloniërs en Meden verdween Nineveh onder het zand en uit beeld. Al in de latere Oudheid wist men niet meer precies waar de stad had gelegen. Pas in 1847 vond de Brit Austin Henry Layard aan de oevers van de Tigris bij Mosul de resten van de stad terug. De daarna opgegraven reliëfs, beelden, gebruiksvoorwerpen, sieraden en kleitabletten zijn in de loop der tijd verspreid over de wereld in musea terechtgekomen. „De tentoonstelling in Leiden brengt voor het eerst vele objecten uit Nineveh weer bij elkaar”, zegt Morandi Bonacossi.

Verrassend: zelf heeft hij nooit in Nineveh opgegraven. De twee Golfoorlogen en de inname van de stad door IS in 2014 maakten wetenschappelijk onderzoek ter plekke lang onmogelijk. Sinds 2011 onderzoekt Morandi Bonacossi wel het achterland van de vroegere hoofdstad.

Vader Sargon

Daar lag Khorsabad, ook bekend als Doer-Sjarroekin, ‘Vesting van Sargon’, de hoofdstad die in 713 voor Christus was gesticht door Sargon, de vader van Senacharib. Sargon viel acht jaar later op het slagveld. Zijn zoon en opvolger Senacharib besloot om vijftien kilometer zuidwestelijker een nieuwe en nog grootsere hoofdstad te bouwen. Terwijl Djoer-Sjarroekin 320 hectare groot was, werd Nineveh 750 hectare groot, inclusief een enorm koningspaleis. Morandi Bonacossi: „Volgens teksten uit die tijd liet Senacharib daarvoor een half miljoen mensen, waaronder vele krijgsgevangenen, naar de nieuwe stad en de omgeving deporteren. Nu moet je met zulke aantallen altijd oppassen, omdat zo’n koning graag overdreef, maar ons onderzoeksproject – Terra di Nineve – heeft duidelijk gemaakt dat er inderdaad zeer grote deportaties moeten hebben plaatsgevonden. In ons onderzoeksgebied van 3.000 vierkante kilometer hebben we 320 nederzettingen uit de Nieuw-Assyrische tijd ontdekt, een groei van 65 procent vergeleken met het aantal uit de Midden-Assyrische tijd. Veertig procent van de Nieuw-Assyrische vindplaatsen die we hebben ontdekt bestaat uit nieuw gestichte nederzettingen zonder ouder bewoningsverleden.”

Spionagevliegtug

In totaal heeft Morandi Bonacossi met zijn project meer dan duizend archeologische vindplaatsen ontdekt, daterend van de prehistorie tot de islamitische tijd. De nederzettingen en andere vindplaatsen zijn onder meer ontdekt met behulp van vrijgegeven Amerikaanse beelden uit de jaren zestig en zeventig van satellieten en het spionagevliegtuig U2. Bij het onderzoek op de grond daarna hebben de Italianen dankbaar gebruik gemaakt van de kennis van de natuurlijke omgeving van lokale herders en bewoners.

Akkadisch koningsportret, ca. 2300 v.Chr, uit de collectie van het British Museum, Londen. Foto Bildarchiv Foto Marburg, Albert Hirmer/Irmgard Ernstmeier-Hirmer

Uit het onderzoek blijkt ook dat Senacharib zijn imperiale stempel op het achterland van Nineveh heeft gedrukt en het heeft ingericht als graanschuur voor zijn hoofdstad. „Een 240 kilometer lang kanaalstelsel, inclusief aquaducten – de Romeinen zijn dus niet de uitvinders ervan – zorgde niet alleen voor de watervoorziening van Nineveh, maar ook voor irrigatie van het gebied met akkers waarop vooral tarwe, maar ook rijst werd verbouwd. We hebben ook kunnen vaststellen dat het systeem tussen 703 en 688 voor Christus is aangelegd.”

Sleuven

Een kanaaltraject met een lengte van 55 kilometer hebben Morandi Bonacossi en zijn team meter voor meter ingemeten en vastgelegd. „Ook hebben we drie sleuven gegraven om te kunnen vaststellen dat het kanaal zeven tot tien meter diep was en gelijkmatig afliep. Nu kunnen we gaan berekenen hoeveel mensen Senacharib voor de aanleg nodig heeft gehad.”

Op verschillende plekken heeft Senacharib op rotsen reliëfs en teksten laten aanbrengen als markering van de aanleg van het watersysteem. Bij Khinis, vijftig kilometer ten noordoosten van Nineveh, op de plek waar het water van de rivier Gomel naar het kanaal werd geleid, liet hij zich afbeelden met zijn vrouw Mulissu en de oppergod Aššur. „Veel van deze reliëfs en teksten waren al bekend sinds de negentiende eeuw, maar wij hebben ze voor het eerst goed gedocumenteerd en ingemeten met moderne apparatuur.”

Morandi Bonacossi heeft ook nog zes nieuwe in de rotsen uitgehakte reliëfs ontdekt. „Bij het Faideh-kanaal, iets ten zuiden van Duhok. Drie waren al bekend, maar we hebben kunnen vaststellen dat het er in totaal negen zijn, met aan weerszijden Senacharib en daartussen zeven goden, onder wie weer Aššur en Mulissu, maar ook de liefdesgodin Isjtar.”

Wat hij er niet bij zegt, maar wat wel op de tentoonstelling wordt verteld: hij was op zoek naar de plek met de drie al bekende reliëfs, toen hij schoten hoorde, dekking zocht en toevallig de nieuwe reliëfs vond. De schutter bleek een boer te zijn die vogels van zijn land wilde jagen.

Het zijn niet de enige schoten die Morandi Bonacossi tijdens zijn onderzoek heeft gehoord. Vanaf 2014 lag het front in de strijd tegen IS soms op maar tien kilometer afstand. „We zagen de straaljagers, hoorden de beschietingen en zagen de rookwolken.” Na het Koerdische referendum en de ‘inname’ van Koerdisch gebied door het Iraakse leger is het afwachten wat er gaat gebeuren. „Ik kom net terug uit Koerdistan en omdat de vliegvelden waren gesloten moesten we via Turkije terugvliegen. Hopelijk kunnen we volgend jaar toch weer terug. We willen van het gebied een archeologie- en natuurpark maken.”