Recensie

Na Pornoland snel naar de literatuur

Martin Amis

In zijn non-fictie komt het komische talent van de Britse schrijver goed tot zijn recht. Dat blijkt uit zijn nieuwe essaybundel, waarin hij zich bewust is van de hindernis van het ouder worden.

Op de set van een pornofilm, 1995. Foto Paolo Pellegrin/Magnum Photos/HH

In zijn soms problematische fictie toont Martin Amis zich een energieke schrijver van een lyrische korzeligheid; hij formuleert vaker met een frons dan met een grijns. Het is echter in zijn non-fictie (naast de korte verhalen Let Me Count the Times en The Coincidence of the Arts) dat zijn stralende komische talenten tot uiting komen. Zijn vorige bundeling van artikels en essays, The War Against Cliché (2001), was doortrokken van een luide vrolijke lach.

Het recent verschenen The Rub of Time bevat stukken over een periode van dertig jaar (al ligt de nadruk op deze eeuw) en her en der is te merken wat Amis (1949) met de dubbelzinnige titel bedoelt: de hindernis van en de slijtage door tijd. Aan de ene kant is er de schrijver die zich van zijn ouderdom bewust is, waarvoor een bezoek aan Las Vegas als metafoor dient: ‘There is not enough to go around, and what is gained by one is lost by the other.’ Aan de andere kant is er de actualiteit, die nauwelijks is bij te houden: ‘History is accelerating; and so with every passing day the future becomes more and more unknowable.’

Maar meer dan dit uit zijn grijsdom zich, conventioneel genoeg, in een moreel besef, de moraal als maatstaf zelfs voor de literaire esthetiek. Zijn aanbeden meester Vladimir Nabokov overleeft deze maatstaf niet – het ‘nimfijnenmotief’ in enkele van diens werken is Amis te veel. Philip Roth doorstaat (met zijn The Dying Animal uit 2001, deels melodrama, deels geriatrische porno) hem wel, omdat Amis begrijpt dat ouderdom en dood zulke hopeloze proposities zijn dat zij elke bevrediging onderweg rechtvaardigen.

Dit lijkt ook Amis’ vreemd adorerende stuk over de (tijdelijke) wederopbloei van John Travolta te verklaren – ‘in Saturday Night Fever, the polystyrene erection under the disco strobes’, zo anders dan Sylvester Stallone als Rambo, ‘that lethal trapezium of organ meat’ (dit haalt het niet bij Clive James’ omschrijving van Arnold Schwarzenegger als ‘een bruin condoom gevuld met walnoten’).

Dit moreel besef staat in vreemd contrast met de onthechting waarmee hij de pornowereld beschrijft – hij haalt een beschrijving aan van een specialiteit van ene Max Hardcore (aangenaam), waarvoor een speculum, de anus van een vrouw, urine en een tuinslang benodigd zijn. Amis onderzoekt de anale obsessies van porno en krijgt deze wijsheid mee van een regisseur: ‘…assholes are reality. And pussies are bullshit’. De werkelijkheid is wat de markt wil en de markt wil pijn én genot. Er is geen plaats voor een perineum, om de metafoor voort te zetten.

Amis heeft die onthechting nodig, want hij moet toch boven zijn materie staan – dat is een euvel dat veel schrijvers over porno aankleeft. Daarom eindigt hij dit essay (een van de beste in het boek) met de mededeling dat hij na zijn bezoek aan Pornoland naar een vijfdaags symposium over ‘The Novel in Britain, 1950-2000’ in Pasadena reist. De literatuur als reinigingsmiddel.

Maar dan sluit hij het stuk af met een alinea waarin hij de porno-actrice Chloe toespreekt (zoals Humbert Humbert Lolita): ‘You are like a gladiator: a contemporary gladiator.[...] some of them won their freedom. And you, I think, will win yours.’ Sentimentaliteit van een oude man? Nee, een literair trucje: aanmatiging verpakt in een doffe hartenklop, want zíjn hart zal hij niet ontbloten. Wel onthullend, want sentimentaliteit geeft altijd bloot wat men ermee wil verhullen.

Gelukkig zijn er veel andere stukken waarin de broosheid van het ouder worden, tussen de humor en het sarcasme door (zoals de stukken over zijn vader Kingsley Amis), grijzig schemert. ‘I am now old enough to inspect the attendant girls with an anthropologist’s eye’, beweert hij nuffig, maar het zijn niet deze meisjes die deze beschrijving opleveren: ‘a woman [...] who has munched herself into a wheelchair: arms like legs, legs like torsos, and a torso like an exhausted orgy’.