Recensie

Mythes over Hollandse kruisvaarders ontmanteld

De vijfde kruistocht

Acht eeuwen geleden voeren er, dankzij een visioen, duizenden Friezen en Hollanders naar het Heilige Land. Het duurde lang voordat hun ‘heldendaden’ werden bijgesteld.

Schip van Damiate door Jan Luyken, in het zeeheldenboek van Lambert van den Bos uit 1683.

Dit jaar is het precies achthonderd jaar geleden dat er vanuit de Zuid-Engelse haven Dartmouth vele duizenden Friezen en Hollanders op kruistocht naar het Heilige Land vertrokken. Ze hadden gehoor gegeven aan de pauselijke oproep om de smaad die Christus was aangedaan (het verlies van Jeruzalem precies dertig jaar daarvoor) te wreken.

In zijn boek Nederlandse kruisvaarders naar Damiate aan de Nijl beschrijft mediëvist Jaap van Moolenbroek voor het eerst minutieus waarom er juist aan deze vijfde kruistocht zo veel Hollanders deelnamen; wat hun motieven waren, hoe hun reis georganiseerd was en hoe zij uiteindelijk betrokken raakten bij een van de beroemdste veldslagen uit de geschiedenis van de kruistochten, de Slag bij Damiate (het huidig Dumyāt), een belangrijke vesting niet ver van de monding van de Nijl. Van Moolenbroek laat zien wat de werkelijke rol van de Hollanders in deze fameuze veldslag is geweest en hoe die ‘wonderlijke overwinning’ nog eeuwen in onze vaderlandse geschiedenis heeft doorgeklonken.

‘Omdat er nu een dringender noodzaak dan ooit is om het Heilige Land in zijn grote nood te hulp te komen, en omdat er van die hulp nu meer dan ooit profijt mag worden verwacht, roepen wij u opnieuw op: neem het kruis op en volg hem (Christus) in het gevecht.’ Zo begint de brief die Paus Innocentius III in 1213 door het hele Roomse Rijk laat verspreiden. Een brief waarin hij de christenheid oproept om het Heilige Land te bevrijden van de ongelovigen en de stad van God, het heilige Jeruzalem, te heroveren. Innocentius III verbindt aan de deelname aan deze heilige oorlog zelfs een tot dan toe ongekende beloning, de volledige aflaat.

De respons is in grote delen van Europa dan ook overweldigend. Alleen in de Noordelijke Nederlanden lijkt er weinig animo te bestaan om het kruis te volgen. En dat terwijl de paus juist in deze streken een van zijn beste krachten had ingezet, Olivier van Keulen, een diepgelovige en gedreven prediker die in het Rijnland al zijn sporen als pauselijke legaat had verdiend.

Gekruisigde heiland

Maar toen zich, in juni 1217, aan de Engelse Zuidkust ruim tweehonderd schepen voor de tocht naar het beloofde land verzameld hadden, bleken er toch vele tientallen schepen afkomstig te zijn uit de Lage Landen. En onder de tienduizend opvarenden waren er opvallend veel uit het noorden (de steden Dokkum, Bedum en Wolvega worden in veel middeleeuwse kronieken met name genoemd).

Dat was, zo toont van Moolenbroek aan, vooral te danken aan een wonder dat op 16 mei 1214 had plaatsgevonden in Bedum. Tijdens een bijeenkomst in de openlucht, waar Olivier van Keulen de pauselijke oproep kwam toelichten, kreeg een meisje van elf jaar een visioen. Zij zag aan de westelijke hemel de gekruisigde heiland verschijnen. ‘Een wonder dat de menigte in extase bracht waarna vele honderden zich direct tot het kruis bekeerden’, aldus Olivier in een brief aan de bisschop van Munster. Blijkbaar was dit visioen besmettelijk, want ook tijdens latere bijeenkomsten in Wolvega en Dokkum zagen gelovigen de gekruisigde heer aan de hemel.

De manier waarop Van Moolenbroek dit wonder en de gevolgen beschrijft, is typerend voor de aanpak van zijn hele boek: uiterst gedetailleerd, met waar nodig citaten uit primaire bronnen. Zo staat hij ook uitgebreid stil bij de poging om de ketting te doorbreken die de Egyptenaren bij Damiate over de Nijl hadden gespannen om de kruisvaarders tegen te houden.

Deze succesvolle gebeurtenis is vanaf het begin omgeven geweest door wonderlijke gebeurtenissen en sterke verhalen die een eigen leven zijn gaan lijden. Een leven waarin de – in werkelijkheid bescheiden – rol van de Hollanders bijna mythische proporties aanneemt.

Enorme metalen zaagtand

Zo doet uiteindelijk het verhaal de ronde dat ‘Hollanders’ onder aanvoering van hun graaf (Willem I) een schip uit Haarlem hadden voorzien van een enorme metalen zaagtand, waarmee ze de ketting in één keer doormidden voeren. Van Moolenbroek toont aan dat dit verhaal, dat rond 1350 voor het eerst opduikt, vanaf de zestiende eeuw zelfs eeuwenlang onderdeel heeft uitgemaakt van onze vaderlandse geschiedschrijving. Ter ondersteuning geeft hij in de laatste hoofdstukken talloze afbeeldingen en teksten. Zo laat hij ook zien dat er in tientallen kerken in Holland (van de grote kerk in Haarlem tot de kerk in Beverwijk) het Haarlemse zaagschip op glas-in-loodramen werd afgebeeld. En zelfs het wapen van de stad Haarlem en de klokken van de Sint Bavo, de zogeheten Damiaantjes, werden eeuwenlang verbonden met dit verhaal.

Pas aan het einde van de negentiende eeuw verdwijnt de mythe van de Haarlemse heldendaden bij Damiate definitief uit de geschiedenisboekjes, om tot aan het verschijnen van het boek van Van Moolenbroek nauwelijks meer verteld te worden.