Recensie

Meeleven met de oude meester

Hans Croiset

In zijn roman over Vondels laatste levensjaren, geeft Hans Croiset zijn held een stem, door hem gesprekken te laten voeren met zijn tijdgenoten.

‘Het Toneel Is In De Hemel’: zo luidt de prachtige regie-aanwijzing van Vondels drama Lucifer (1654) over de opstand der engelen tegen God. Niemand weet welk beeld toneelschrijver Joost van den Vondel hierbij voor ogen stond, maar dankzij de roman Ik, Vondel van toneelman Hans Croiset (1935) komen we een heel eind.

In een gesprek tussen Vondel en zijn geleerde vriend Christiaen Huygens laat Croiset de oude Vondel zeggen: ‘Lucifer moest tenslotte aan het eind van het verhaal uit de hemel gegooid worden en op aarde terechtkomen. Het moest dus mogelijk zijn vanuit de hemelruimte iets op aarde te laten vallen.’

Deze denkbeeldige dialoog tussen de begaafde tijdgenoten is een van de hoogtepunten in Croisets roman. Hij plaatst de religieuze dichter tegenover de rationele wetenschapper in een spannende ontmoeting. Huygens verbaast zich over Vondels oude wereldbeeld, waarin hij de aarde in het middelpunt plaatst, en dus kan een engel omlaag tuimelen uit de hemel. Huygens wijst Vondel fijntjes op de baanbrekende ontdekking van Galilei: de zon en niet de aarde is middelpunt van heelal. Dus dat vallen kan zomaar niet.

Croiset presenteert zijn boek welbewust als fictie. We volgen Vondel in zijn laatste levensjaren, waarin hij terugblikt op zijn tragische leven. Hij verliest vrouw en kinderen, raakt verwikkeld in godsdiensttwisten en in een persoonlijke geloofsworsteling. Rondom hem woedt het protestantisme en de katholieke Vondel krijgt het verwijt een ‘ongodist’ te zijn. Zijn zondige toneelwerk treft een opvoeringsverbod in Vondels geliefde ‘Schouburght’, zelfs zijn geliefde Gijsbrecht.

Een ander hoogtepunt in de roman is het hoofdstuk met de interessante titel ‘Badeloch m/v’, waarin Croiset een originele visie geeft op het feit dat in Vondels tijd vrouwenrollen door mannen vertolkt moesten worden. Alleen op kermissen en in openluchtspelen mochten vrouwen ‘wispelturige dienstmeisjes en wulpse hoeren’ vertolken, maar in het serieuze genre beslist niet, dus ook niet de rol van Badeloch, echtgenote van Gijsbrecht.

Als vrouwen mede door Vondels invloed wél op het toneel mogen verschijnen, voelt dat als een overwinning. ‘Met de komst van de vrouw op de planken was het alsof ik mij voor het eerst in mijn leven werkelijk kon overgeven aan een vrouw’, erkent Vondel bij Croiset. Dat is een gewaagde overgang, alsof de toneelschrijver via de omweg van het toneel pas werkelijk liefde kan voelen. In deze context is de rol van een geheimzinnige vrouw ‘M’ zowel boeiend als raadselachtig. Vondel aanbidt haar als zijn muze. Wie is zij? Veel komen we niet te weten, ook niet of zij als actrice ooit Badeloch heeft vertolkt. Dat is jammer, want dat zou de verhaallijn mooi rond maken.

Op elke bladzijde van Ik, Vondel proef je dat er hier een schrijver aan het woord is die beroepshalve betrokken is bij Vondel-opvoeringen. Croiset en dramaturg Guus Rekers komen de eer toe Vondel als toneelschrijver in ere te hebben hersteld. Als acteur gaf Croiset stem aan Vondels verzen. Nu draait hij het om en geeft hij als acterend en regisserend schrijver stem aan Vondel. Croisets boek is dat van een gevoelvolle denker over toneel, die in Vondel zijn gelijkgestemde vindt.