Recensie

Hoe een Duitse monnik het ‘merk’ Luther aan de man bracht

Beeldende kunst

Het Catharijneconvent toont hoe Maarten Luther aan het begin stond van vijfhonderd jaar Reformatie.

Portret van Maarten Luther (1483-1546) door Lucas Cranagh, 1546. Museum Catherijneconvent

Wijdverspreid moet het beeld zijn van de vastberaden theoloog die een lijst eigenhandig neergepende stellingen spijkert op de deur van de slotkapel van Wittenberg. Aldus koos Maarten Luther (1483-1546) op 31 oktober 1517, dit jaar precies vijfhonderd jaar geleden, openbaar positie tegen de uitwassen van de katholieke kerk. Uit de tentoonstelling en de bijbehorende publicatie die het Catharijneconvent wijdt aan Luther en zijn gedachtegoed, blijkt enige relativering op haar plaats.

Zeker is dat Luther 95 academische stellingen formuleerde met betrekking tot het verkopen door de Kerk van aflaten. Hiermee werden zonden kwijtgescholden met als oogmerk om na de dood het verblijf in het vagevuur te verkorten. Deze praktijk was destijds aan de orde van de dag en er gingen grote bedragen in om. De paus bekostigde er onder meer de reusachtige nieuwbouw van de Sint-Pieter in Rome mee. Meer nog dan om het misbruiken van angst en goedgelovigheid, was het Luther in zijn protest te doen om de onjuistheid van het afkopen van menselijke zonden, die volgens hem ook op andere manieren vergeven konden worden.

De publicatie van de stellingen wordt algemeen beschouwd als het precieze beginpunt van de protestantse reformatie, en daarmee het startsein van een keten van veranderingen op religieus, politiek en maatschappelijk gebied die de persoon van Luther uiteindelijk verre zou overtreffen. De expositie herdenkt het moment, maar presenteert leven en werk van de hervormer in de juiste proporties.

‘Droom van de keurvorst Frederik de Wijze’, Jan Barentsz.

Museum Catherijneconvent
‘Christus en de overspelige vrouw’, Antwerpen ca. 1560-1570.

Museum Catherijneconvent
Links: ‘Droom van de keurvorst Frederik de Wijze’, Jan Barentsz. Rechts: ‘Christus en de overspelige vrouw’, Antwerpen ca. 1560-1570.
Museum Catherijneconvent

Vele gezichten had de Duitse augustijner monnik die zich keerde tegen de paus, werd geëxcommuniceerd en in het huwelijk zou treden met een gewezen non. Hij was een geleerd theoloog en werd professor aan de universiteit van Wittenberg. Zijn vernieuwende opvattingen over schuld en boete en de relatie tussen God en de mens wist hij op een geraffineerde manier te verspreiden. In een reeks boeken en pamfletten die in vitrines worden geëxposeerd, ligt bijvoorbeeld een elegant werkje uit 1519 met eenvoudige belettering op de titelpagina. Van Luther zelf is bekend dat hij het maar een saai drukwerkje vond. Hij zocht een andere uitgeverij en vooral ook een kunstenaar die prenten kon maken voor aantrekkelijkere titelpagina’s. Die vond hij in de persoon van beroemde schilder en prentmaker Lucas Cranach met wie Luther bevriend raakte en samenwerkte. Met dergelijke publicaties, maar bijvoorbeeld ook door het laten maken van portretten van zijn eigen persoon, werkte hij doelbewust aan het ‘merk Luther’.

Ingekleurde titelpagina Lutherbijbel van Adolph Visscher editie Lindenberg, 1702. Sandra Haverman

Anders dan jongere collega-hervormers zoals Johannes Calvijn, was Luther dan ook niet tegen op afbeeldingen. De expositie laat mooi zien hoe zijn leer kunstenaars inspireerde tot het maken van heel nieuwe uitbeeldingen, bijvoorbeeld van het thema van Christus die zich, zoals wordt beschreven in het evangelie, bekommert om kinderen. In Luthers visie konden kleine kinderen, ook al hadden ze nog geen goede werken verricht, genade verdienen.

Van de stellingen tegen de aflaat is het oorspronkelijke document verloren gegaan. Het lijkt erop dat het niet was handgeschreven maar direct in druk is verschenen. De auteur zocht het debat met een veel breder publiek dan de kerkgangers in Wittenberg. Het vastmaken van de tekst aan de kerkdeur is trouwens minder heroïsch dan het lijkt. Van het gebruik van een hamer en spijkers die het hout van een maagdelijke kerkdeur zouden hebben doen splinteren is vrijwel zeker geen sprake geweest. De slotkapel hoorde namelijk bij de universiteit en de deur werd waarschijnlijk ook gebruikt als een soort mededelingenbord, waar dus wel meer paperassen op hingen. Ze werden er doorgaans niet op gehamerd maar, juist ter bescherming van het houtwerk, op geplakt. Weinigen in het Wittenberg van die dagen zullen daarom hebben bevroed hoe groot de impact zou worden van de woorden van de befaamde hervormer.