Column

Heel veel liefde en dan is het voorbij

Michel Krielaars

In het #MeToo-tijdperk van de grijpgrage, gedwongen seks zou je bijna vergeten dat er liefdesbrieven bestaan. Ik houd van dat genre, omdat ik soms wil zwelgen in de tedere woorden van een ander, maar ook omdat de liefde een raadsel is, dat je wilt blijven verkennen. Zo las ik onlangs bij toeval een paar zinnen die me ontroerden, ook al hadden ze niets met mij te maken: ‘En wat gebeurt er als we kussen. Geef ik me niet over? Ik ben misschien rustig en doe weinig, maar dat is juist zo fijn, liefje.’ Het is de liefde van het moment, die niet lang genoeg kan duren, zo intens is het gevoel dat ermee gepaard gaat.

De mooiste liefdesbrieven die ik ken zijn van Anton Tsjechov en Gustave Flaubert. Ik herlees ze vaak, omdat ze zoveel kracht hebben en tegelijkertijd de liefde uitdagen. Zo schrijft Tsjechov op 24 augustus 1901 aan zijn vrouw Olga Knipper: ‘Ik omhels, kus en zegen mijn heerlijke vrouw en verzoek haar dringend mij niet te vergeten en me te schrijven en vaak aan me te denken. Als ik kom zal ik je een heel uur ononderbroken zoenen, en daarna ga ik naar het badhuis en de kapper, dan eten, dan de avond, en dan naar bed. Goed? Hartje van me!’ Dat ‘dringend’ en dat ‘ononderbroken zoenen’, gevolgd door wat praktische besognes relativeren die hartstocht, alsof Tsjechov tegen zichzelf zegt: ‘Stel je toch niet zo aan.’ En precies dat maakt die brief zo goed.

Of neem Flaubert, die op 31 augustus 1846 aan Louise Colet schrijft: ‘Ik wilde dat je in mijn hart kon lezen: de tranen van twijfel en verslagenheid die je vergiet, zouden in tranen van vreugde en geluk veranderen. Ja, ik houd van je, ik houd van je, hoor je? Moet ik het nog harder roepen? Maar is het mijn schuld dat ik niet die gewone liefde koester, die alleen maar kan glimlachen? Is het mijn schuld dat mijn wezen niets zachtmoedigs heeft in zijn doen en laten.’

Van een geheel andere orde zijn de onlangs in de Slavische Cahiers vertaalde brieven van de Pools-Joodse schrijver Bruno Schulz (1892-1942), die als tekenleraar getergd wordt door zijn leerlingen. Zijn kwellingen beschrijft hij in een veelzeggende brief aan een vriend: ‘U moet namelijk weten dat mijn zenuwen als een net over het hele handenarbeidlokaal vertakt zijn: de hele vloer is ermee bedekt, de muren zijn ermee behangen en de werkbanken en zelfs het aambeeld zijn er als een dicht weefsel mee overspannen.’

Als het over de liefde gaat, schrijft de hypergevoelige Schulz niet aan, maar over zijn verloofde Juna, met wie hij een relatie heeft die afloopt. Hij doet dat in brieven aan zijn vriendin Romana Halpern, voor wie hij zijn hart steeds meer openstelt. Zo schrijft hij op 19 september 1936: ‘Zij, mijn verloofde vormt mijn aandeel in het leven, door haar bemiddeling ben ik een mens, en niet slechts een lemming of een kobold. Zij houdt meer van mij dan ik van haar, maar ik heb háár meer nodig om te kunnen leven. Zij heeft me met haar liefde verlost toen ik al bijna verloren was en ronddoolde in onmenselijke contreien, de onderwerelden van de fantasie. Zij heeft me het leven en de eindigheid teruggegeven.’

Ondanks die loodzware en gemeende woorden van het moment, verbreken Schulz en Juna toch hun verloving, waarna ze ieder hun eigen kant op gaan. Het wederzijdse verlangen verdampt, alsof het nimmer heeft bestaan. Het maakt het raadsel van de liefde alleen maar groter.