Gezellig met de bus naar Tsjernobyl

Wie al overal is geweest en alles al heeft gedaan, kan altijd nog naar Tsjernobyl. Theatermaker en schrijver Tosca Niterink heeft daar wel zin in, en komt tot haar afgrijzen in een verschrikkelijke touringcar terecht.

Illustratie Mat

Er is weinig meer te halen, voor wie van avontuurlijke reisbestemmingen buiten de platgetreden paden houdt. „Je kan nog geblinddoekt een cocaïnelaboratorium in Colombia bezoeken of ergens in Midden-Amerika bungy dippen in een krokodillenvijver”, leest Annie, mijn dans- en wandelpartner, op internet.

Hm, ik ben niet dadelijk enthousiast.

Na enig zoeken blijken er vanuit de Oekraïnse hoofdstad Kiev gelukkig ook geheel verzorgde bustrips naar Tsjernobyl te gaan, inclusief gids, geigerteller (een stralingsdetector) en warme lunch.

Vooral die warme lunch spreekt me meteen aan.

Maar meteen krijg ik angstvisioenen.

„Waarom zou ik dit mezelf aandoen?”, huiver ik. „Waarom zou ik in een met hamburgerreclames beplakte touringcar stappen?”

„Dat hoeft niet”, sust Annie, „er gaan nog steeds alleen maar minibusjes.” Haast is dus geboden – je kan er op wachten dat de bierfietsbranche in dit gat springt.

Om het extra gevaarlijk te maken, besluiten we er een roadtrip van te maken. Het is vierduizend kilometer heen en weer naar Kiev, dat moet lukken in twee weken.

Dikke jassen en truien mee, want het kan min 40 graden worden. En een tentje – je weet maar nooit.

Het mooie van zo’n roadtrip is dat je het ene landschap in het andere ziet wegglijden. Ik neem me voor goed op te letten hoe Nederland in Duitsland verdwijnt. Dat gebeurt precies bij de Duitse grens. Ineens is alles Duits, de huizen, de auto’s, het landschap, verbazingwekkend! Alles voelt ook meteen Duits. En het ruikt heel Duits in de eerste de beste Duitse benzinepomp. Dat komt door de gigantische Duitse Bockworsten die daar op de hete plaat in hun eigen vet rondrollen.

„Kijk”, roep ik enthousiast, „ze verkopen hier ook gewoon nog bier langs de snelweg!”

„Nu nog niet”, zegt Annie streng, „want jij moet nu rijden.”

We zijn nu toch op de Duitse Autobahn dus „gas op die lolly!”

„Niet zo hard!” schreeuwt Annie.

„Een vrouw rijdt hier zo hard als ze zich voelt!” schreeuw ik terug.

„Ik wil nog niet dood”, gilt Annie weer.

Ik ga mokkend tussen de vrachtwagens op de slome baan rijden.

We zijn nog niet eens halverwege en staan in een Duitse supermarkt. Annie rammelt met een doosje biologische Duitse diepvriesgarnalen uit Denemarken.

„Ik ga Spaanse knoflookgarnalen maken in hete olijfolie.”

Ze bedoelt dat we het bijltje er voor vandaag bij neergooien en gaan wildkamperen, want Annie houdt niet van campings. Ik vind het niet erg, het is ongemerkt mooi weer geworden.

De grens

Door die open grenzen merk je pas dat je in Polen bent als je de borden niet meer kan lezen en als ze tien verschillende soorten wodka verkopen bij de benzinepompen.

„Had jij dat gedacht?” vraag ik Annie. We staan in de knallende hitte stil voor de Oekraïnse grens. „Ik hoorde dat het wel zes uur kan duren voordat je door de douane bent”, zucht ze.

„Annie, ik moet plassen. Er staat weliswaar een ranzig gesmolten plastic wc-hokje op de vluchtstrook maar dat is vooralsnog voor niemand een optie want ik zie mensen met rollen wc papier onder de arm over het talud klimmen.

Het is pikdonker als we eindelijk uitgestempeld zijn en de grens over mogen. De snelweg houdt op achter de slagbomen en maakt plaats voor een landweg met kuilen. Op de tast vinden we een groezelig hotelletje. Tegen middernacht zitten we in de eetzaal achter een bord koude bietenpap, de nationale culinaire trots van Oekraïne.

„Ik vind het best meevallen”, zeg ik.

„Hm”, bromt Annie.

Het kost de volgende dag nog heel wat moeite om de snelweg naar Kiev te vinden. Dat komt, je herkent hem niet dadelijk als zodanig omdat er paardenkarren en fietsers over de vluchtstrook rijden. Op diezelfde vluchtstrook zitten bejaarden op klapstoelen appels, peren en tabaksbladeren te verkopen.

Om het uur is er wel een kettingbotsing met meer dan vijf auto’s. Je mag hier net zo hard rijden als in Duitsland en Polen, maar ook stoppen op de linkerbaan om een U-bocht te maken en regelmatig moet je zelfs stoppen omdat er een zebrapad met overstekende schoolkinderen opdoemt. „Daar bij de McDonald’s”, wijst Annie als we een heleboel hartverzakkingen later op het balkon van ons hotel in Kiev uitkijken over het grote plein, „moeten we morgenochtend verzamelen voor de bustrip.”

Er staan een stuk of vier (godzijdank) onopvallende busjes te wachten in de ijselijke vroegte

Er staan een stuk of vier (godzijdank) onopvallende busjes te wachten in de ijselijke vroegte. Allemaal vol. „Onze bus komt nog”, zegt Anastasia, onze roodharige, in legeruniform gestoken gids. Een grote opvallende bus beplakt met gasmaskers komt eraan. Tsjernobyltours, staat er in schreeuwerige koeienletters op geschreven. „Daar heb je hem al”, zegt ze trots. Er zitten allemaal buitenlanders in onze bus. Japanners, Chinezen, Amerikanen en zelfs een middelbare punker met een enorme roze hanenkam die dubbelklapt tegen het plafond.

De sfeer in de bus is uitgelaten. „Dit is geen pleziertripje”, zegt Anastasia streng door de microfoon. We gaan naar een plek waar zich een nucleaire ramp van ongekende omvang heeft voltrokken. Volgens onofficiële schattingen heeft dat tot nu toe direct of indirect 1,6 miljoen mensenlevens gekost.

„Zou me niks verbazen als het nog waar is ook”, fluistert Annie. De Amerikaan voor ons klokt in een keer een halveliterfles bier naar binnen. Anastasia deelt geigertellers uit.

Middenin het bos staan slagbomen met ervoor soldaten met kalasjnikovs. „Hier begint de verboden zone die zich uitstrekt in een straal van dertig kilometer rond de reactor”, legt Anastasia uit. „De zone is militair gebied.”

„Hoe lang doe je dit werk al?” vraag ik.

„Negen maanden al en zes dagen per week”, lacht ze, „is me niet aan te zien toch?” Achter haar worden vrachtwagens die het gebied uitrijden met enorme geigertellers gecontroleerd.

The Wall Street Journal trok met een drone over Tsjernobyl.

Een stukje verderop mogen we eruit. We gaan een verlaten kleuterschooltje bekijken. „Niks aanraken”, waarschuwt Anastasia. „De meeste plekken zijn afgegraven of er is zand of nieuwe aarde gestort, maar hier niet.” Er klinkt gepiep uit de bosjes. Een lange stoet toeristen komt met knetterende geigertellers de struiken uitgemarcheerd.

Er ligt een pop met één been op de grond, die ik herken van foto’s op internet. Even later staat iedereen kiekjes te maken van het meest gefotografeerde popje van Tsjernobyl.

We staan voor de reactor, het is een oorverdovend geknetter. „Op een trans-Atlantische vlucht doe je meer radioactiviteit op”, zegt onze gids op geruststellende toon. De groep maakt opgelucht foto’s van elkaar. In het koelwater van de reactor zwemmen meervallen van drie meter lang. Er schijnen ook beren te zitten en wolven – ik zie alleen maar honden. „Niet aaien”, roept Anastasia. Hoe weet zo’n hond of ie in de verboden zone is of niet? En die baboesjka’s die net voor de slagbomen tomaten verbouwen. Zijn die tomaten minder gevaarlijk dan een meter verderop?

Tot slot gaan we naar de totaal overwoekerde stad Pripjat op een steenworp afstand van de centrale. Hier woonden de werknemers en hun gezinnen. We klimmen door flatgebouwen. De appartementen zijn leeggeroofd. Zelfs het behang is van de muren getrokken. Allemaal verkocht buiten de zone. „ Ze kwamen zelfs stiekem oogsten en verkochten alles gewoon op de markt”, legt onze vrolijke gids uit. Dan doemt er een reuzenrad in de jungle op. Het meest gefotografeerde reuzenrad van Tsjernobyl. „See you after the next disaster”, zegt Anastasia als we in Kiev uit de bus stappen .

„Oh dan zien we elkaar heel binnenkort”, zeg ik opgelucht.