‘Er zijn vele vormen voor een wetenschappelijke biografie’

Wolkersbiografie

Hoe kon het proefschrift over Jan Wolkers, in het voorjaar nog afgekeurd door de promotiecomissie, toch al in het najaar verschijnen? De promotor en de decaan leggen het uit.

Pagina uit 'Het litteken van de dood'

Hoogleraar Willem Otterspeer heeft voor het gesprek een plastic tas meegenomen met vier boeken erin. Daaronder een reader over de mogelijke verschijningsvormen van een biografie en een lang artikel over het belang van context.

Op tafel bij decaan Mark Rutgers ligt het promotiereglement van de Universiteit Leiden, 26 kantjes. Rutgers is sinds acht maanden decaan van de Leidse faculteit der geesteswetenschappen, waar de promotie plaatsvond. Hij is filosoof van huis uit en werkte eerder onder meer aan de Universiteit van Amsterdam.

Aanleiding voor het gesprek, deze woensdagmorgen op de kamer van de decaan: het negatieve oordeel van de eerste promotiecommissie over het manuscript van Het litteken van de dood, de ruim duizend bladzijden dikke biografie over Jan Wolkers waarop Onno Blom in oktober promoveerde. Otterspeer, Bloms promotor, had die promotiecommissie samengesteld, zoals gebruikelijk. In overleg met hem ontbond decaan Rutgers de commissie na het negatieve oordeel.

De vijfkoppige commissie was unaniem: zo kon het niet. Een tweede commissie keurde het manuscript in september alsnog goed.

De vijfkoppige commissie was in het voorjaar unaniem: zo kon het niet. Onno Blom zou zijn biografie, waar hij toen al tien jaar aan had gewerkt, helemaal moeten omwerken. Dat zou zeker een jaar kosten, schatte de promotor. Een tweede commissie keurde het manuscript in september alsnog goed. Dat was flink veranderd, maar niet fundamenteel. Wat is er gebeurd?

Droom-archief

Met de meegebrachte boeken, zegt Otterspeer, wil hij „de enorme bandbreedte laten zien” van wat er mogelijk is als je een wetenschappelijke biografie schrijft: „Er zitten soms letterlijk continenten tussen.” Een biografie kan een archief ontsluiten en dan van a tot z gewijd zijn aan een individu, zoals gebeurt in Het litteken van de dood. Wat ook kan: dat individu beschrijven als exponent van zijn tijd, waarin bijvoorbeeld de ontkerkelijking en de seksuele revolutie plaatsvonden. „Dat het dus niet meer gaat om de figuur zelf, maar om het verhaaltje dat hij vertegenwoordigt. Beide vormen zijn academisch te rechtvaardigen.” En, pakt hij een van zijn boeken erbij: „Pas op, hè. Context is een lastig begrip om mee te werken. Er is altijd weer méér van: context is what I noticed about your topic that you didn’t write about.”

Jan Wolkers in zijn atelier, in 2007. Foto Vincent Mentzel

Blom en Otterspeer kozen voor de eerste biografie-variant, de hoogstpersoonlijke. Waarom? Otterspeer, zelf historicus: „Onno had een droom-archief gekregen: overcompleet, alles zat erin. Als je dat ordent, indeelt en thematiseert, heb je een wetenschappelijke biografie. Het soort althans dat onder historici gebruikelijk is.”

Had de eerste promotiecommissie volgens hem achteraf bezien te weinig affiniteit met dit soort biografie? Otterspeer: „Ik was stomverbaasd over de afwijzing, vooral ook over de unanimiteit ervan. Ik had het niet zien aankomen. Anders had ik de leden van deze commissie niet benaderd, dat is duidelijk.”

Er kwam een aanpassingsvoorstel van de promotor, dat ook werd verworpen. Hadden ze verwacht dat dat het wel zou halen? Decaan Rutgers: „Natuurlijk. Anders lever je het niet in.” Otterspeer: „Nou, je komt met een compromis. Ik was over die afwijzing niet zo verbaasd meer.”

Onno Blom komt uit een familie met een traditie van promoveren. De laatste stelling bij het proefschrift luidt: ‘Promoveren doe je voor je vader.’ Niet promoveren, en alleen een boek uitbrengen, lag misschien niet voor de hand, maar een promotiecommissie ontbinden die een manuscript afwees en daarna ook het voorstel tot aanpassing, evenmin. Hoe kwam de decaan tot dat besluit?

Rutgers: „Ik heb de promotor gevraagd: verwacht je binnen een jaar een nieuwe versie, dan handhaven we deze commissie. Dat jaar ligt in Leiden niet vast, maar het is een termijn die bij andere universiteiten wel in de reglementen voorkomt. Vanwege het totale gebrek aan overeenstemming en vanwege de verwachting dat het nog lang zou duren, heb ik de leden toen bericht dat ik de commissie ontbond.”

Onno Blom paste zijn manuscript aan, hij kortte het met een kwart in. Waarom? Otterspeer: „Ook toen we het indienden bij de eerste commissie hebben we al gezegd: het kan slanker, geserreerder.” Rutgers: „Bondiger is altijd beter.”

Iemand uit het andere kamp

In augustus werd het manuscript ingeleverd bij een tweede, op één lid na nieuw samengestelde promotiecommissie. Otterspeer droeg ook de leden van die commissie voor, hij legde nu, zegt hij, meer nadruk op academici met ervaring als biograaf. Rutgers, die de voordracht formeel goedkeurt: „Ook die tweede commissie was kwalitatief goed. Je wordt altijd door je peers getoetst hè. Ik ken het ook uit het verleden, de sociale wetenschappen en de linguïstiek in de jaren tachtig. Toen wist je: je moet echt niet iemand uit het andere kamp in je commissie hebben, want dat geeft alleen maar ellende.”

Gelukkig met de gang van zaken zijn ze allebei niet. Otterspeer, die de eerste promotiecommissie eenzijdig samenstelde („Ik wist niet dat het zo was, maar achteraf is dat gebleken, ja”) stuurt de dag na het gesprek nog een aanvulling per mail. Hij wil zijn „achting voor de inspanning van de eerste commissie” benadrukken, schrijft hij: „Verschillen in methodische uitgangspunten krijgen licht de toon van een slecht huwelijk en die wil ik vermijden.”

Rutgers: „Het ongelukje dat ik zie, tussen aanhalingstekens dan, want formeel is er niks aan de hand: dat er zo snel een nieuwe versie lag.” Waar nog bij kwam dat Onno Blom alsnog promoveerde op de tiende sterfdag van Jan Wolkers, vier weken na de gunstige beoordeling door de tweede commissie. Gewoonlijk zitten er drie of vier maanden tussen het positieve oordeel van de promotiecommissie en het moment van promoveren. Dat dit nu niet het geval was, is volgens Rutgers „te danken aan de goede persoonlijke contacten van de promotor met de pedel”. Er werd een extra uur ingelast in de namiddag.

Het was die snelheid die leidde tot gefronste wenkbrauwen bij een van de leden uit de eerste commissie, die daarover aan de bel trok bij de decaan. „Hij had de indruk dat hetzelfde manuscript opnieuw werd voorgelegd. Dat is niet het geval, maar daarvan heb ik de eerste commissie niet meer op de hoogte gesteld. Dus ik begrijp dondersgoed dat zo’n commissielid die promotiedatum ziet en denkt: wat is daar gebeurd?” Hij informeerde de rector magnificus, die geen fouten in de procedure constateerde. En het proefschrift voldeed aan de geldende wetenschappelijke normen.