Recensie

En nu is Zafóns hele puzzel gelegd

Carlos Ruiz Zafón

Deze week is het slotdeel verschenen van de Barcelona-tetralogie, waar Zafón al furore mee heeft gemaakt. In Het labyrint der geesten moeten de drie voorafgaande delen in elkaar passen.

Opnieuw schetst Zafón een mysterieus en spookachtig Barcelona Foto Nat Farbman / Getty Images

Er zijn architecten en stedenbouwers die vinden dat er niets gaat boven de negentiende eeuw. De huizen hadden er nog een menselijke maat, de steden een organisch plan. Neostijlen verwortelden hen in een traditie die teruggreep op nog oude vanzelfsprekendheden. In die architectuur viel nog te leven.

Misschien geldt zoiets ook voor de roman. In de negentiende eeuw kwam deze tot volle bloei en werd hij hét vehikel van amusement, literaire kunst en sociale kritiek: televisie, radio, bioscoop en internet ineen. Menig meesterwerk ontstond als feuilleton, zoals vandaag de dag de soapserie. Oude vormen doen het nog altijd goed en stellen gerust.

Wie terugkijkt op de Barcelona-tetralogie van de Spaanse schrijver Carlos Ruiz Zafón (1964) kan moeilijk om die conclusie heen. Deze week verscheen het slotdeel in vertaling. Met zijn bijna 850 bladzijden is Het labyrint der geesten een passende afsluiting van de reeks die zo’n vijftien jaar geleden begon met De schaduw van de wind. Dat boek was dé literaire sensatie van die jaren. Een ware pageturner, niet in de laatste plaats dankzij het magistrale beeld waarmee Zafón het boek opende. In en onder Barcelona strekt zich een gigantische bibliotheek uit, vol boeken die niemand meer leest. Met dit ‘Kerkhof der Vergeten Boeken’ schiep Zafón een literair topos dat elke lezer moest aanspreken. Labyrintachtige galerijen die uitlopen op tunnels, trappen en plateaus herbergen boeken waarvan iedere ‘ingewijde’ er één uitkiest om het voor de vergetelheid te behoeden.

Rond die bibliotheek en het ene boek dat de hoofdpersoon, de tienjarige Daniel, onder zijn hoede neemt, weefde Zafón een betoverende roman die gemakkelijk uit de pen van vader en zoon Dumas had kunnen komen. Wat is het raadsel van Daniels boek, waarvan alle andere exemplaren in de loop der jaren door een maniak verbrand zijn? Wat was het lot van de schrijver, een zekere Julián Carax, die kort voor de Spaanse Burgeroorlog onder mysterieuze omstandigheden om het leven leek te zijn gekomen?

Een spookachtig Barcelona vol griezelige villa’s, een bloedig spoor van moorden, een gemaskerde en mismaakte mystery guest, de schaduw van de Burgeroorlog: het waren stuk voor stuk elementen in een trefzekere griezel- en speurdersroman waarin de cloak-and-dagger nooit ver leken.

Sluitend verhaal

Drie boeken later is daarin maar weinig verandering gekomen. In Het labyrint der geesten stond Zafón voor de taak de drie voorafgaande delen in elkaar te passen tot één sluitend verhaal. Na de openingsroman had hij in Het spel van de engel een sprong teruggemaakt in de tijd, naar het Barcelona van de jaren twintig, en de ‘gotische’ griezelelementen extra hard aangezet.

In de daaropvolgende roman De gevangene van de hemel was hij teruggekeerd naar de jaren veertig en vijftig, maar gaf daarin de voorrang aan de detectivestijl, zonder het plot helemaal rond te kunnen krijgen: een doodzonde in dat genre.

Die taak resteerde dus nog voor Het labyrint der geesten. Dat Zafón daar zo veel bladzijden voor nodig heeft, is niet verwonderlijk. Het plot is in die vier boeken zo ingewikkeld geworden, met zo veel zijlijnen, protagonisten en bijfiguren, dat het de lezer al snel duizelt. Niet voor niets circuleren er op internet kleine handleidingen die uitleggen hoe het allemaal ongeveer zat en wie wíe is.

Pas bij herlezing blijkt Het labyrint der geesten goed in elkaar te zitten. Wel haalt Zafón daarvoor een eigenaardige truc uit. In veel opzichten herhaalt hij de basisvorm van De schaduw van de wind, die nu als een soort schil rond de hele tetralogie gevouwen wordt. Literaire fijnproevers (die Zafón met inside-grapjes graag inpalmt) mompelen dan: een omgekeerde raamvertelling.

Opnieuw gaat het in deze afsluitende roman om een mysterieus boek en een verdwenen schrijver, die niet meer Julián Carax maar Víctor Mataix heet. De kleine Daniel is als hoofdpersoon vervangen door de invalide speurder Alicia Gris, wees geworden bij een bombardement in de Burgeroorlog. Klein is Daniel trouwens ook niet meer, want de handeling is opgeschoven naar de jaren rond 1960. Aan het slot van de roman schrijft Daniels zoon op zijn beurt een korte roman, die het afsluitende deel van het epos vormt.

Ook deze kunstgreep is kenmerkend voor de vertelstijl van Zafón. Voortdurend grijpt hij terug naar nevenverhalen in de vorm van gevonden manuscripten, opduikende briefverslagen en lange relazen van de getuigen die Alicia Gris, op zoek naar het raadsel van een verdwenen minister met literaire ambities, te horen krijgt. Hierin vallen de puzzelstukjes op hun plaats, al kost het de lezer wel steeds meer moeite de héle puzzel te overzien.

Dan zit er na afloop weinig anders op dan het boek nóg een keer te lezen: een hele klus, maar geen straf, want Zafón vertelt vaardig en onderhoudend. Dat maakt deze roman echter nog geen grote literatuur. Het is eerder de schaduw van wat ooit in het romangenre vernieuwend en opwindend was. Daarna is de romankunst andere wegen ingeslagen, zonder de voorafgaande te vergeten. Uit het stof daarvan worden vandaag de dag bestsellers gemaakt. Noem het de triomf van de negentiende eeuw in de eenentwintigste.