Recensie

Een lange, trieste weg naar de Nobelprijs

Czeslaw Milosz (1911-2004)

Hij bestond niet, vond de Poolse dichter Milosz, tot hij in 1980 de Nobelprijs kreeg. Een omvangrijke biografie laat een grillig leven zien, waarin de geschiedenis een verpletterende rol speelde.

Czeslaw Milosz zag zijn vaderland voortdurend van identiteit veranderen Foto Bernard Gotfryd / Getty Images

In 1980 krijgt een voor velen onbekende Poolse dichter de Nobelprijs voor Literatuur: Czeslaw Milosz. ‘Mijn aanwezigheid hier op dit podium zou een argument moeten zijn voor al degenen die de van God gegeven, wonderbaarlijk complexe onvoorspelbaarheid van het leven prijzen’, zegt hij tijdens de uitreiking. Inderdaad. Als er iemand is wiens leven een illustratie is van complexe onvoorspelbaarheid is het Milosz (1911-2004) wel.

Hij is op dat moment een bijna zeventigjarige emeritus hoogleraar Slavische taal- en letterkunde aan de universiteit van Berkeley in Californië, en zeker, hij schrijft poëzie. In het Pools. Zijn gedichten verschijnen in Poolse emigrantentijdschriften, zoals het Parijse Kultura. Een selectie is drie jaar eerder vertaald in het Engels, en die is goed ontvangen, net als zijn twintig jaar oude essaybundel De geknechte geest. Maar de Nobelprijs?

Nog maar een paar jaar daarvoor had hij geklaagd over zijn lot: afgesloten van het enige publiek waarvoor hij wilde schrijven, het Poolse. Zijn werk en zelfs zijn naam waren verboden in de Volksrepubliek Polen. Op zijn zestigste verjaardag had zo goed als niemand iets laten horen, schreef hij aan een vriend. Zijn 65ste verjaardag: hetzelfde. Hij bestond niet meer, hoezeer hij ook genoot van zijn universitaire werk en van de mogelijkheden die Amerika hem bood.

Tegelijkertijd was hij daar nooit écht thuis. Hij, met zijn Europese achtergrond, hij die armoede, oorlog, vervolging, deportaties, vernietiging had gezien, die de behoefte voelde om toch in íéts te geloven – het socialisme, het humanisme, kunst, God – vond in Californië de volstrekte materialistische leegte die elk geloof in humanistische en culturele waarden ondermijnde. En er waren persoonlijke omstandigheden – een manisch-depressieve zoon, een ernstig zieke vrouw.

De omvangrijke, onlangs in het Engels vertaalde biografie die de Pool Andrzej Franaszek over hem schreef, laat zien hoe grillig, verschrikkelijk en opwindend het leven van een twintigste-eeuwse Europeaan eruit kan zien. Geboren in 1911 in het toen nog Russische Litouwen, in een Pools sprekende familie, ziet Milosz alleen al zijn vaderland voortdurend van identiteit veranderen: Russisch, Pools, onafhankelijk, bezet door de nazi’s, bezet door de Sovjets, alles in ruim dertig jaar tijd.

Land van zijn jeugd

Litouwen wordt voor hem het land van de jeugd, het geluk, de natuur en de vrede – geheel los van wat het is geworden. De Tweede Wereldoorlog bracht Milosz door in Warschau. Het grootste getto van Europa werd er ingericht en vernietigd. Milosz schreef er, toen al, diverse gedichten over, over het in brand steken van de huizen met alles en iedereen erin, terwijl aan de andere kant van de muur het leven gewoon doorging ‘bij de zweefmolen in Warszawa,/ op een zachte voorjaarsavond,/ terwijl vrolijke muziek weerklonk.’

Na de oorlog ging Milosz werken voor het ministerie van Buitenlandse Zaken van het nieuwe, communistische regime, bracht met zijn vrouw enkele jaren in Washington door als cultureel attaché op de Poolse ambassade, keerde terug naar Polen, alleen, en zag daar hoe de angst voor de willekeur van de Partij iedereen in zijn greep had. Maar ook: hoe in een systeem dat, zoals Franaszek schrijft, ‘de kracht van het woord begreep’, dichters en schrijvers geacht werden.

Milosz wilde maar één ding: gelezen worden. Hij geloofde in de taak van de dichter, verwoorden wat voor mensen het allerbelangrijkste is. ‘Jij die een gewoon mens onrecht hebt gedaan, [...] waan je niet veilig. De dichter legt vast.’ Hij publiceerde in tijdschriften die door het nieuwe regime gesteund werden, zijn ster rees snel, hij zag heel goed wie en wat hij kon worden in de Volksrepubliek. Maar hij zag ook tegen welke prijs: de deportaties, de arrestaties, de intellectuele onoprechtheid, de kleine en grote leugens waarmee het verschil tussen ideologie en werkelijkheid toegedekt moest worden: ‘Laat de leugen logischer zijn dan de gebeurtenissen.’

Zelfmoord

Het scharnierpunt in zijn leven is het jaar 1951, het jaar waarin hij zelfmoord pleegde, zoals hij het zelf noemde, door tijdens een verblijf in Parijs te breken met zijn vaderland. Degenen die in Polen bleven én degenen die eerder gevlucht waren, allen zien in hem een verrader. Maar het ergst van alles is zijn eigen gevoel van verraad, van verloochening van zijn land, zijn overtuigingen, zijn vrienden. ‘Lieve God, als ik had geweten dat het me zo hard zou treffen, zou ik het nooit gedaan hebben’, schrijft hij wanhopig aan een vriend. Dat hij het móést doen, maakt hij duidelijk in De geknechte geest, een boek waarin hij scherpzinnig en ironisch de macht van en het geloof in de Partij analyseerde en wat het leven in een éénpartijstaat doet met goedwillende mensen.

Uiteindelijk, na tien zware jaren, vertrekt hij in 1961 met zijn gezin naar Amerika. Om daar, naar eigen gevoel, een ongelezen, betekenisloze dichter te worden. Maar ze blijken wel degelijk te zijn opgemerkt, zijn gedichten en verhalen, waarin de voorbijgaande tijd met haar onvoorstelbare, vernietigende kracht het hoofdthema is, het thuis-zijn in een landschap en in steden die niet meer bestaan. Daarnaast belijdt hij de overtuiging dat het leven mooi is of althans kan zijn, betekenisvol, van God gegeven. Dat illustreert hij niet aan ideeën, maar juist graag aan de verscheidenheid van wat erop aarde te vinden is – van ‘gracieuze anjers’ tot frambozenijs. Al bulderen de kanonnen nog zo hard, de tijm geurt, iemand maakt muziek.

De Nobelprijs heeft hij ongetwijfeld te danken aan zijn intelligente en warme toon, zijn wijsheid en zijn onvermogen om te bevatten wat de mens voor een dier is. Inclusief de mens die hij zelf is. Ook in Polen hoorde men die toon graag, Milosz werd er clandestien gelezen en zeer hoog gewaardeerd, zoals hij tot zijn vreugde ontdekte na 1981, toen de situatie daar wat ontspande. Vanaf dan is hij een grote, internationaal geziene literaire figuur, en niet langer een wat vereenzaamde, met zijn geweten worstelende Poolse emigrant in een buitenwijk aan de Stille Oceaan.

Franaszek heeft ongelooflijk veel materiaal verzameld, maar hij is helaas geen begenadigd verteller of portrettist. Hij laat Milosz weinig zien, hij vertelt steeds óver hem en noemt daarbij talloze namen van vrienden, collega’s, medestudenten, tijdgenoten, die geen van allen een gezicht krijgen, zelfs Milosz’ vrouw krijgt geen contouren. Franaszek noemt Milosz een paar keer ‘dit Dionysische personage’ maar waaruit dat Dionysische precies moet blijken, zou je niet weten. Uit de drank die soms overvloedig stroomde? Uit het feit dat ‘vrouwen gek op hem waren’? Eigenlijk is dit boek vooral een uitstekende aanleiding om het werk van Milosz, de ooit zo onbekende Poolse Litouwer, te herlezen:

[...] Opeens schoot vlak voor ons een haas voorbij,
een van ons wees met zijn hand.

Dat was lang geleden. Nu leven ze niet meer,
de haas, noch hij die naar hem wees.

O mijn liefde, waar zijn ze, waarheen gaan ze,
de flits van de hand, de lijn van de ren, het doffe geroffel –
niet uit verdriet vraag ik dit, maar uit verwondering.

(Vertaling Gerard Rasch)