Recensie

Doelloos aan je pech blijven plakken

Alex Boogers

De personages van Alex Boogers zijn nooit lachebekjes, maar in zijn nieuwe roman zitten ze wel heel diep in de prut. En stappen nemen doen ze niet.

De nieuwe roman van Alex Boogers kent drie hoofdpersonages en alle drie zijn ze er ronduit beroerd aan toe. Het Joodse meisje Amy leeft in onmin met haar stiefvader; Jacob is een nostalgische ouderling die net zijn vrouw heeft verloren en Harvey is een zwarte jongeman die vanwege zijn huidskleur en pompeuze lichaamsbouw het mikpunt is van spotlust en uitsluiting. Ook de meeste andere personages leven in de prut of uiten zich postuum, zoals Jacobs vrouw Claire, zuchtend en steunend over ‘het leven’.

Dat surplus aan pech is op zichzelf niet verbazend in een roman van Boogers, waar de lachebekjes sowieso dun gezaaid zijn. Een van de weinige hoopvolle lichtpuntjes wordt, samen met de kunst, gevormd door een ‘gevecht’: alleen wie een bikkelharde strijd voert voor zijn plekje of het behoud van zijn waardigheid loopt kans een beter leven te krijgen. Dit komt, ook in Onder een hemel van sproeten, neer op een poging tot sociale mobiliteit. Her en der plaatsen de personages verbitterde opmerkingen over de mensen die al in een omgeving van kwartjes opgegroeid zijn, zodat ze veel gemakkelijker comfort en koopkracht af hebben kunnen dwingen. Naar Nas, die ooit rapte dat ‘by the time you can afford it, the car ain’t important’ luisteren de personages blijkbaar niet.

Dat Boogers (1970) zich als romanschrijver ophoudt in dat domein van vertrapten, genegeerden en gediscrimineerden, daar is natuurlijk wat voor te zeggen, want er zijn niet zo heel veel schrijvers die er hun kamp hebben opgezet. Al is de Nederlandstalige literatuur met de opkomst van volkse schrijvers als Dimitri Verhulst of Walter van den Berg allang niet meer het terrein van mensen die iets over de relatieve problemen van de bemiddelde middenklasse te zeggen hebben. Hoe dan ook: Boogers verbreedt met zijn boeken het stemmenpalet. Problematischer is de verwerking van die stemmen. Zijn personages maken weinig aanstalten om hun situatie te veranderen. Ze verblijven nogal doel- en willoos in de roman, waardoor het element van de handeling, het streven, niet aanwezig is. Er wordt wel gerept over strijd en verbetering, maar stappen worden niet gezet. Ook niet fysiek, dus je vertoeft lang in of bij brakke watertjes, gammele vogelspottershuisjes en tochtige stapelwoningen.

Het is niet zozeer dat je Boogers’ romanwereld niet onder ogen wil komen, de klacht heeft betrekking op de compositie, die eentonig en stilistisch saai is. ‘Hij maakte zich zorgen dat hij in zijn huis overvallen zou worden, want hij kwam niet zo vaak meer buiten vanwege zijn astma en reuma. Hij leefde al jaren alleen en wachtte op een benedenwoning.’ Dit, en dan 370 pagina’s lang. Breng wat contrast aan!

Het is moeilijk om te zeggen waar de ruimte ligt voor de romanschrijver Boogers. In voorganger Alleen met de goden (2015) waren er nog echt rauw-realistische scènes te vinden die gecomprimeerd, die krachtig literair waren. Boogers zal moeten inzien dat een roman een kunstwerk is; waarop weliswaar talloze vertelcodes toepasbaar zijn, maar toch, een kunst-werk, een retorische constructie die werkt en tot nadenken stemt doordat de zinnen en het geheel effect genereren. Bij ons, lezers, niet bij de maker zelf.