Recensie

De zucht naar de ziel

Richard Dawkins

De Britse evolutiebioloog en ‘beroepsatheïst’ heeft zijn zolder opgeruimd. Het resultaat is een bundel boeiende stukken en iets mildere standpunten.

Illustratie Anne van Wieren

Afgelopen zomer maakte de Turkse regering bekend de ‘ingewikkelde en controversiële’ evolutieleer te schrappen uit het lesprogramma van middelbare scholen. Het is wéér een nieuwe stap om het onderwijs op een meer islamitische leest te schoeien: het enige andere land waar de evolutietheorie niet wordt onderwezen is Saoedi-Arabië. De reactie van de Britse evolutiebioloog en ‘beroepsatheïst’ Richard Dawkins (1941) was even direct als voorspelbaar: ‘Atatürk zou zich in zijn graf omdraaien’.

Dawkins heeft met name de afgelopen tien jaar zijn afkeer van religie niet onder stoelen of banken geschoven: ‘Zonder godsdienst geen zelfmoordterroristen, geen kruistochten, geen heksenjachten, geen 9/11, geen oorlog in het Midden-Oosten, geen problemen in Noord-Ierland en ga zo maar door.’ Wat hem natuurlijk het meest dwars zit, is dat het succes van religie gebaseerd is op de indoctrinatie van kinderen. Wij zijn nu eenmaal genetisch gepredisponeerd om te luisteren naar wat onze ouders en andere volwassenen zeggen. Dat heeft overlevingswaarde, maar maakt ons ook gevoelig voor infectie door een mind-virus als religie.

Dawkins’ opvattingen, uitgedragen in een serie spraakmakende en invloedrijke boeken – The Selfish Gene (1976, De zelfzuchtige genen), dat zijn reputatie vestigde, of The God Delusion (2006, God als misvatting) – zijn inmiddels genoegzaam bekend en daarom is de titel van zijn recentste boek, Science in the Soul, des te opvallender. Hij zal toch niet?

In de inleiding al wordt echter duidelijk dat er geen sprake is van een late bekering. Het is nog steeds zijn vaste overtuiging dat de ‘ziel’ in die betekenis door wetenschappelijke vooruitgang zal worden vernietigd. Dawkins doelt veeleer op de emotionele kant van de menselijke natuur, op ons gevoel voor schoonheid, dat heel goed voort kan komen uit wetenschappelijke vooruitgang.

Het is hem een doorn in het oog dat wetenschap wordt verafschuwd als iets kils en mechanisch, als iets wat het wonderlijke en mooie aan de werkelijkheid ontneemt. In zijn ogen doet wetenschap juist het tegenovergestelde: het voegt schoonheid toe. Dichters en wetenschappers worden gedreven door dezelfde zucht naar de ziel van het leven en zouden dus van elkaar moeten leren.

Gelegenheidsstukken

Science in the Soul biedt een caleidoscopisch overzicht van wat Dawkins de afgelopen dertig jaar heeft beziggehouden en (vooral) waar hij zich over heeft opgewonden. Veel nieuws valt er niet in te bekennen, hij heeft gewoon zijn zolder eens opgeruimd.

Toch blijft het een plezier hem te lezen en dan met name zijn gelegenheidsstukken, zoals prachtige In Memoriams voor zijn vader en vrienden als Douglas Adams (The Hitchhikers Guide to the Galaxy) en Christopher Hitchens (God is not Great), maar ook zijn even mooie uithalen tegen Tony Blair, die een stichting oprichtte ter promotie van het geloof, of tegen Prins Charles, die in 2000 een venijnige aanval deed op de wetenschap, en in plaats daarvan ervoor pleitte om een ‘...ill-assorted jumble of mutually contradictory alternatives’ te omarmen: ‘Het is goed om je voor alles open te stellen, maar wees niet zo openminded dat je brein eruit valt.’

Het illustreert zowel Dawkins’ prachtige taalgebruik, waarvoor hij herhaaldelijk zegt schatplichtig te zijn aan de vertaling van de King James Bible, als ook zijn humor, die bijna elk stuk verlevendigt. Toch is hij niet altijd even scherp, en hoe diep zijn biologische inzicht ook is, op sociaal en politiek gebied laat hij wel eens een steek vallen. Wie aanvoert dat oud-president Obama vanwege zijn zowel blanke als gekleurde voorouders net zo goed als blanke kan worden betiteld, heeft wellicht formeel gelijk, maar gaat volledig voorbij aan de sociale en maatschappelijke aspecten van die aanduiding.

Felle strijd

Natuurlijk is er ook in dit boek weer een belangrijke rol weggelegd voor zijn ‘aartsvijand’ Stephen J. Gould, de paleontoloog van de Harvard-universiteit. Tot aan Goulds te vroege dood, in 2002, vochten ze een felle strijd uit in boeken en artikelen en gingen ze heel af en toe direct met elkaar in debat, hetgeen altijd memorabele ontmoetingen opleverde.

Ook nu weer komen hun beider standpunten weer uitgebreid aan bod: bijvoorbeeld de vraag op welk niveau evolutie zich afspeelt. Voor Dawkins gebeurt dat tussen genen onderling, terwijl Gould juist het organisme of zelfs groepen organismen belangrijker achtte. Ook hadden ze een totaal andere kijk op religie: hoewel ze beiden van mening waren dat het geloof niets te zeggen heeft over hoe de wereld in elkaar zit, kent Dawkins het geloof ook geen enkele autoriteit toe op het gebied van de moraal. Volgens Gould moesten wetenschap en geloof zich elk vanuit een positie van wederzijds respect met hun eigen zaken bezighouden.

Verwarring

Opvallend is dat Dawkins wat milder lijkt te zijn geworden. Dat blijkt duidelijk uit de vele noten en de afterwords, waarin hij reageert op zijn eigen stukken en terugkijkt op de tijd en omstandigheden waarin deze ontstonden. Terwijl hij vroeger geen spaan heel liet van zijn concurrent, is deze nu opeens alleen maar schuldig aan ‘poetic science’, een overtuigende, maar misleidende manier van formuleren, die zijn lezers in verwarring bracht.

Hij gaat zelfs zo ver om Gould achteraf te betitelen als een waardig kandidaat voor een Nobelprijs voor Literatuur, want die moet nu eindelijk eens een keer naar een natuurwetenschapper. Hij noemt ook andere kandidaten, maar die hebben met elkaar gemeen dat ze zijn overleden. De boodschap ligt er dan ook dik bovenop: als er al een geschikte kandidaat is, dan is hij het zelf.

Ik ben geneigd om hem dit soort pekelzonden te vergeven en neem zijn hier en daar wat pedante toon graag voor lief. Net zoals zijn (denk)wereld er eentje is waarin grijstinten ontbreken, geldt dat ook voor de opvattingen over zijn werk: voor zijn grote schare volgelingen is Science in the soul een balsem voor de ziel, terwijl zijn tegenstanders er weer veel in zullen aantreffen om zich aan te kunnen ergeren.