De kanker kwam terug, Bibian Mentel ook

Bibian Mentel

Voor de negende keer vecht ze tegen kanker, maar dat het leven eindig is besefte Bibian Mentel pas nadat ze in het ziekenhuis een bacterie had opgelopen. Afgelopen week verscheen haar tweede boek: Kut Kanker!

Foto Ilvy Njiokiktjien

Bibian Mentel (45) staat op de boeg van een tien meter lange sloep en kijkt over het rimpelige water van de Loosdrechtse Plassen naar de plek waar ze opgroeide, op een tjalk aan de overkant. Het heet er de Veilige Haven, vlak bij de kerktoren van de Hervormde Gemeente.

Boven het wateroppervlak hangt een dromerige mist, niet langer dik genoeg om het de zon te beletten haar gezicht van licht en warmte te voorzien. Ze spreidt haar armen als een aalscholver die haar verenpak wil laten drogen en neemt een diepe teug frisse lucht. „Genieten dit”, roept ze breeduit glimlachend richting achtersteven, waar haar echtgenoot Edwin (52) het roer bedient.

Ze draagt een dikke snowboardjas en onder een dito muts is het gezicht van een vermagerde vrouw te zien. Haar huid staat strak gespannen om haar hoge jukbeenderen en daardoor lijken haar wangen ingevallen. In juli liep ze bij een controlepunctie van de slokdarm een ziekenhuisbacterie op en verloor ze in twee weken tijd tien kilo omdat er geen geschikt antibioticum werd gevonden. Ze bleef overgeven en werd met de dag zwakker. „Ik dacht op een gegeven moment echt dat ze dit niet zou gaan overleven”, zegt Edwin terwijl hij over de plas tuurt.

Een batterij aan medicatie

De vrouw die steeds terugkerende kanker in de loop der jaren is gaan benaderen als een blessure, vertelt dat ze door die ziekenhuisbacterie pas is gaan beseffen dat het leven eindig is. Het duurde ruim twee weken voor een antibioticum vat kreeg op haar infectie en ze heel langzaam weer opkrabbelde. Ze is nog verre van de oude, moet nog acht kilo aankomen, terwijl ze tegelijkertijd een gevecht tegen kanker levert. Ze oogt vermoeid. Vanochtend nam ze „een batterij aan medicatie” – paracetamol, morfine, diclofenac, wietolie – tegen uitstralende pijn in haar rechterarm, veroorzaakt door de negende celwoekering in zeventien jaar tijd, die haar zesde nekwervel van boven voor veertig procent aantastte en maakt dat de zenuwen in die contreien bekneld zijn geraakt. „Maar ik voel me eigenlijk behoorlijk goed”, zegt ze opgewekt als altijd.

De woonboot van Bibians moeder Maude doemt op. Edwin vaart er regelrecht op af. Als Maude ziet dat haar dochter en schoonzoon op deze donderdag langs komen varen, begint ze enthousiast te zwaaien. In de deuropening aan de zijkant van de boot verschijnt ze stralend in een groenzwarte jurk.

„Daag schatje”, klinkt het blijmoedig.

„Willen jullie koffie?”

„Nee hoor mam, dat hebben we aan boord. We gaan ook weer door. Tot snel!”

Het laat zich raden waar Bibian haar positieve levenshouding vandaan heeft. „Mijn moeder is mijn voorbeeld. Zij heeft me van jongs af aan geleerd om het glas halfvol te zien. Het is een cliché, maar ik kan me daardoor focussen op het positieve.” Edwin breekt even in, zoals zo vaak als Bibian een antwoord formuleert dat hem niet uitgebreid genoeg is: „Ze is in een Jappenkamp geboren, net als haar man. Daar was het zo dat de moeder klappen kreeg als een baby huilde.” Bibian: „Dus met haar onderbewuste leerde ze dat huilen niet mag, geen zin heeft. Daardoor weet ik dat verdrinken in verdriet niets oplevert.”

Amputatie onderbeen

We varen door een smalle waterstrook die de Kalverstraat wordt genoemd, links en rechts eilandjes met bomen en watervogels. „Heerlijk”, zucht Bibian.

Ze groeit als enig kind op in deze wateren, begint jong met waterskiën en later wakeboarden. „Er was zoveel te doen in de zomer dat ik niet op vakantie hoefde. En in de winter was het hier vrij van toeristen. Dan was Loosdrecht van ons.”

Als ze negentien is verhuist ze naar Amsterdam voor een rechtenstudie. Niet veel later vertrekt haar vader naar Indonesië, om te checken hoe het staat met de voortgang van het huis dat hij er samen met Maude laat bouwen. Over de telefoon krijgen de twee op een dag dermate harde ruzie dat ze na 31 jaar hun huwelijk beëindigen. „Het zat dus al een tijd niet goed”, zegt Bibian. „Ik heb van hun scheiding nooit last gehad. Ik was mijn leven begonnen in Amsterdam, werd lid van het corps. En zij gingen ieder hun weg. Bovendien is mijn moeder mijn voorbeeld, mijn beste vriendin. En zij bleef.”

Na het behalen van haar propedeuse stopt ze met studeren omdat ze wil weten hoe ver ze kan komen met snowboarden. De levensstijl van de snowboarder – vrij, rebels – is de hare. Ze groeit uit tot ’s lands beste op de onderdelen halfpipe en snowboardcross. Als ze 27 is, loopt ze een enkelblessure op en als die maar niet genezen wil, blijkt uit een scan dat ze een agressieve vorm van botkanker heeft. Ze kiest er binnen een paar weken tijd voor om haar rechteronderbeen te laten amputeren met het idee uitzaaiingen te voorkomen. Drie maanden later staat ze alweer op een snowboard en wordt ze opnieuw Nederlands kampioen, tussen de valide sporters. „Die amputatie heb ik altijd gezien als een verloren wedstrijd.”

De kanker komt daarna acht keer terug, vijf keer in haar longen, waardoor ze zware operaties moet ondergaan. Tussendoor blijft ze de titels aaneenrijgen. Door dat doorzettingsvermogen wordt ze een nationale bekendheid, waarvan ze gebruik maakt in haar lobby het snowboarden op de Paralympische Spelen te krijgen. Vancouver 2010 komt te vroeg, maar vier jaar later lukt het wel in Sotsji. Daar pakt ze zelf de gouden medaille. Ze richt een stichting op, de Mentelity Foundation, waarmee ze gehandicapte kinderen aan het sporten krijgt. Ook begeleidt ze haar team gehandicapte wintersporters naar de volgende Spelen, die van komende winter in Zuid-Korea. „Als ik iets wil, dan gaat het gebeuren. Dat is een bepaalde overtuiging. Ik heb dat met snowboarden en ook met het vechten tegen kanker.”

Dan wordt het mei 2016, een vrijdagmiddag. Uit een controlescan blijkt dat ze een tumor heeft op een gevaarlijke plek vlakbij de longen, daar waar veel bloedvaten samenkomen. Bestralen is te riskant, op chemo reageert haar vorm van kanker niet. Na vijftien jaar van succesvolle behandelingen zegt haar arts dat ze niets meer kunnen doen. Ze is uitbehandeld. Opgegeven. Edwin weet niet wat hij hoort, Bibian heeft er in haar achterhoofd rekening mee gehouden dat dit bericht eens zou komen. Ze vertellen het vrienden, familie, Edwins tweeling, Bibians zoon. Die avond gaan ze met z’n allen uit eten. Het wordt het vrolijkste diner in jaren. Voor Bibian heeft verdriet een duidelijke grens, vertelt ze. Op een moment zegt ze tegen zichzelf: en nu is het klaar. Dan richt ze haar aandacht op iets positiefs. „Want gevoelsmatig heb ik het idee dat ik alles wel kan dragen.”

Er gaan drie maanden voorbij. In die periode gaat ze verdoofd door het leven. „Ik dacht: waarom zou ik nieuwe kleren kopen, waarom zou ik gaan trainen? Het heeft geen zin meer.” Ze probeert zoveel mogelijk leuke dingen te doen met zoon Julian en vriendinnen. Maar tegelijkertijd voelt ze: „Dit kon niet het einde zijn en het gaat ook niet gebeuren. Het klopte niet. Ik was fitter dan ooit.”

We zijn terug waar we vanochtend zijn opgestapt, Finley Het Witte Huis, een idyllische plek aan de Plassen waar veel mensen trouwen. Edwin heeft voor broodjes gezorgd. Als Bibian om een paracetamol vraagt, ritst hij zijn bodywarmer open en graait hij in de zak van zijn sweater. Hij heeft allerlei pillen bij zich.

Edwin laat het er in die reddeloze periode vorig jaar niet bij zitten. Elke nacht zoekt hij op internet naar methoden om zijn vrouw beter te maken, en met succes, want in de Verenigde Staten vindt hij een apparaat, de MRIdian, dat in staat is om op de millimeter nauwkeurig te bestralen, een uitkomst voor de tumor van Bibian. Een behandeling daar gaat in de tienduizenden euro’s lopen. Het stel overweegt het huis te koop te zetten als ze op het journaal horen dat in het VU Medisch Centrum van Amsterdam sinds kort een MRIdian wordt gebruikt. Dat is een half uur rijden van het ziekenhuis waar ze haar vertelden niets meer te kunnen doen.

Second opinion

Voor Edwin is dat niet te verkroppen. Hij werkt met de Mentelity Foundation, waarvan hij zelf inmiddels directeur is, aan een plan om patiënten duidelijk te maken hoe belangrijk het is om bij twijfel een second opinion aan te vragen bij een ander ziekenhuis. Als hij niets had gedaan, was zijn vrouw nu misschien wel dood geweest. „Het probleem is de gebrekkige communicatie tussen ziekenhuizen. En artsen hebben ego’s.” Bibian is vergevingsgezinder: „Ze hebben me daar vijftien jaar in leven gehouden.”

Ze wordt succesvol bestraald, revalideert en hervat haar voorbereiding op de Winterspelen van volgend jaar in Pyeongchang. Maar in juli blijkt de kanker terug in haar nek. En daar komt dan ook nog die ziekenhuisbacterie overheen.

Bibian vergelijkt haar lijf met een tikkende tijdbom. „Ik heb de hoop opgegeven dat het voor altijd wegblijft. Dat maakt me soms angstig. Als mijn nagels gaan schilferen of als ik hoest, ben ik bang dat ik kanker heb. Ik wil mijn kind zien opgroeien.” Maar, zegt ze, de kanker heeft haar ook moois gebracht. En daar blijft ze zich op focussen. „Ik ben ervan overtuigd dat je met een positieve instelling je immuunsysteem sterker maakt.”

Ze is nog altijd van plan haar paralympische titel over vier maanden te verdedigen, hoewel ze zichzelf ook voorbereidt op een teleurstelling. Haar nekwervel is broos door de kanker. Als ze erop valt, kan ze haar nek breken. Half januari is haar volgende moment van de waarheid. Dan wordt er een CT-scan gemaakt om te zien of de bestraling effect heeft gehad. Het kan zo zijn dat ze afscheid moet nemen van topsport. „Gelukkig heb ik nog veel andere dingen om voor te leven.”

Het wordt slechter weer in Loosdrecht. Bibian ziet er moe uit. Haar hoofd moet ze steeds vaker met haar hand ondersteunen. Edwin graait in een boodschappentas en haalt drie fortune cookies tevoorschijn. Bibian opent de hare als eerste en leest in stilte. Ze begint te glimlachen. Deze is echt voor mij, zegt ze tevreden, en dan leest ze hardop voor: „Komend jaar wordt een voorspoedig jaar.” Ze zucht. „Want negen is mijn geluksgetal. Dat het dan nu een keer klaar mag zijn.”