Column

Belastingharmonisatie is beter dan een heksenjacht

Europa-correspondent Caroline de Gruyter schrijft wekelijks over politiek en Europa

En weer vergapen wij ons aan de gebruiken van de rich and famous. Een formule-1-racer die een vliegtuig aan zichzelf least om de fiscus te omzeilen. Een royal die geld wegzet op de Kaaimaneilanden. Een oud-premier wiens naam opduikt in een gamingbedrijfje op Malta, dat euraziatische tycoons aanwenden voor het doorsluizen van geld. Een multinational die Nederland gebruikt als opstapje naar nog lagere belastingaanslagen.

Dat dit woede oproept bij mensen die keurig belasting betalen, is begrijpelijk. Maar zij richten hun woede aan het verkeerde adres. Multinationals en vermogende individuen die wereldwijd de belastingen omzeilen, gebruiken belastingdeals en mazen in de wet die hen door regeringen worden geboden. Ze mogen moreel over de schreef gaan, maar wat ze doen is in de meeste gevallen legaal – misschien wel legaler dan journalisten die stukken schrijven op basis van gestolen gegevens.

Morele en legale vergrijpen zijn twee verschillende dingen. De Panama Papers, de voorgangers van de Paradise Papers, toonden dat aan – wereldwijd werden er duizenden bedrijven en mensen aan de schandpaal genageld, van wie maar weinigen konden worden vervolgd. Als wij deze grootscheepse belastingontwijking willen inperken, zodat belastinggeld weer wordt gebruikt om scholen en ziekenhuizen te bouwen, moeten we zorgen dat die illegaal wordt. Dat doe je niet door een filmster of voetballer op zijn kop te slaan, maar door met andere landen solide fiscale afspraken te maken.

In een ideale wereld doe je dat met àlle landen – mondiaal probleem, mondiale oplossingen. Als landen hun wetgeving harmoniseren, als nationale belastingdiensten fiscale kadasters bijhouden en uitwisselen, zijn er spoedig geen belastingparadijzen meer. Maar de wereld is, helaas, verre van ideaal. De G20 en de Oeso produceren al jaren zwarte lijsten, maar die zijn te vaag geformuleerd om de toestand te verbeteren – lidstaten zijn zelf editors van de teksten. Gabriel Zucman, econoom aan de universiteit van Berkeley en auteur van het boek The Hidden Wealth of Nations, schat dat 40 procent van de bedrijfswinsten en 8 procent van de privévermogens buiten bereik van de fiscus blijft. „Dat kost landen meer dan 350 miljard euro per jaar, waarvan 120 miljard in Europese Unie,” zei hij woensdag in Le Monde.

De EU lijkt geschikter voor fiscale afspraken. Europese landen zijn homogener. Ministers en regeringsleiders vergaderen al twintig jaar over fiscale harmonisatie en uitwisseling van gegevens. Maar elk land wil fiscaal soeverein blijven. Zo wees de Nederlandse minister Zalm in 1997 een Luxemburgs voorstel voor één Europese vennootschapsbelasting van de hand: „Een uniform belastingsysteem in Europa willen wij niet.” Zo bleef Luxemburg vrij om ze fiscaal bruin te bakken, en andere lidstaten om ritueel over de Luxemburgers heen te blijven vallen.

Dat hameren op fiscale soevereiniteit is niet alleen een nationale reflex. Het is ook economische noodzaak. Elk EU-land moet ‘competitief’ zijn. Voor grote landen met grondstoffen, landbouw en industrie is dat makkelijk, maar hoe kan Malta, of Ierland, even competitief zijn als Duitsland? Juist: door niches te vinden in de dienstverlening en die uit te melken. Daarom concurreren EU-landen elkaar kapot met moeder-dochterconstructies, fiscale leasetrucs en de beruchte rulings. Je kunt zeggen dat Europa teveel markt is en te weinig politiek verbond. De competitie is zo doorgeslagen dat EU-landen elkaar weinig meer gunnen, behalve problemen. Hier gaan alle Europese crises over. Met een heksenjacht op Shakira, Apple of Serge Dassault los je dit helaas niet op.