Zelfs in Rusland weten leerlingen beter hoe ze moeten stemmen dan in Nederland

Onderwijs Nederlandse middelbare scholieren weten weinig over burgerschap en democratie. „Dit komt niet vanzelf goed.”

Havo-4-leerlingen van de Marianum Scholengemeenschap uit Groenlo kregen in mei een rondleiding over het Binnenhof, de Eerste en Tweede Kamer. Vorig jaar bezochten via ProDemos, de stichting die de meeste rondleidingen verzorgt, 88.000 scholieren het Binnenhof. Uit onderzoek blijkt juist dat Nederlandse leerlingen weinig weten over democratie en burgerschap. Foto David van Dam

Zelfs Russische leerlingen leren op school meer over democratische gebruiken dan Nederlandse. Zo’n 55 procent van de Russische leerlingen meldt dat ze op school leren hoe ze moeten stemmen, versus 44 procent in Nederland. En 62 procent van de Russische leerlingen zegt te hebben geleerd hoe wetten worden ingevoerd, versus 37 procent van de Nederlandse leerlingen.

Dit zijn extreme voorbeelden in het uitgebreide internationaal vergelijkende onderzoek naar burgerschap door de International Association for the Evaluation of Educational Achievement (IAE) onder 24 landen. Deze gezaghebbende internationale instelling houdt ook onderzoeken in rekenen en taal. De Universiteit van Amsterdam (Uva) nam het Nederlandse deel van het burgerschapsonderzoek voor zijn rekening. Ondanks de invoering van een nieuwe wet over het burgerschapsonderwijs in 2006, blijft Nederland in het geheel een middenmoter in politieke betrokkenheid, engagement, kennis en respect voor burgerrechten. Vergeleken bij vijf omliggende landen is Nederland zelfs een achterblijver.

Anne Bert Dijkstra, bijzonder hoogleraar onderwijskunde aan de UvA en mede-onderzoeker, is gealarmeerd: „Dit komt niet vanzelf goed. Hoe je het ook beziet, we zijn in elf jaar niet erg opgeschoten.”

Uiteraard zijn er grote verschillen in cultuur en opvattingen over democratie tussen Russen en Nederlanders. Net als bij Colombianen, Peruanen of Dominicanen, die ook in het onderzoek zitten. Maar het Nederlandse onderzoek concentreert zich op de verschillen met „vergelijkbare” landen of streken: Vlaanderen, Zweden, Noorwegen, Denemarken en Finland. Het gaat over burgerschap in het algemeen: de kennis van tweedeklassers over het participeren in de samenleving.

Helft kent stemproces niet

Afgezet tegen die vijf vergelijkbare landen weten Nederlandse leerlingen minder over democratie en rechtsstaat. Ze zijn minder politiek betrokken, hechten weinig belang aan verkiezingen en zijn minder vaak bereid om te gaan stemmen. Ze hechten ook minder aan rechten voor etnische minderheden en immigranten. Nederlandse docenten voelen zich minder bekwaam om de grondwet en de verkiezingen te doceren.

Sinds het vorige internationale onderzoek uit 2009 hebben Nederlandse scholen weinig vooruitgang geboekt. In alle vergeleken landen is de kennis over democratisch burgerschap sinds 2009 toegenomen. In Nederland ook, maar de groei bleef beperkt tot havo/vwo-leerlingen, zodat de kloof in burgerschapskennis tussen hoog- en laagopgeleiden dieper werd. „Nederland is harder gaan fietsen maar bleef achter in het peloton omdat de andere landen dat ook deden”, concludeert Geert ten Dam, hoogleraar onderwijskunde, mede-onderzoeker en inmiddels ook voorzitter van de UvA.

De verkiezingscampagne en de besprekingen over het regeerakkoord gingen over het zingen van het Wilhelmus en een klassenbezoek aan het Rijksmuseum. Van directer betekenis is het actief participeren, door vrijwilligerswerk, door mee te doen aan de schooldemocratie. Maar Nederlandse scholen zetten weinig aan tot dergelijke participatie, aldus het onderzoek. Nederlandse leerlingen voelen zich benedengemiddeld bekwaam om deel te nemen aan de democratie en uiteindelijk zijn ze minder bereid om later zelf te gaan stemmen. Ten Dam: „Democratie is niet vanzelfsprekend. Je krijgt het niet gratis. Je moet het actief onderhouden.”

In Nederland wordt het onderwijs in participatie in de samenleving al gauw gezien als „staatspedagogiek” en dat is in strijd met de grondwettelijke vrijheid van onderwijs.

Ten Dam: „De vrijheid van onderwijs is een groot goed. De identiteit van de school heeft vaak een levensbeschouwelijke grondslag. Maar al die verschillende scholen hebben ook een gemeenschappelijke kern. Leerlingen moeten leren wat democratie en democratisch gedrag is. De grondwet is toch niet controversieel? Leerlingen leren omgaan met verschillen en anderen respecteren hoort bij de taak van het onderwijs. Dat moeten scholen allemaal kunnen oppakken. Scholen kunnen van elkaar leren.”

Dijkstra: „De autonomie van scholen staat niet ter discussie. Goed burgerschapsonderwijs neemt de vorm aan die het effectiefst is voor leerlingen. Dat kan per school verschillen.”

Vergeleken bij andere landen heeft Nederland een klassenklimaat dat leerlingen weinig open vinden voor discussie. Leraren durven bepaalde onderwerpen minder discussie te stellen. De journaliste Margalith Kleijwegt schreef daar vorig jaar voor de overheid een rapport over, 2 werelden, 2 werkelijkheden: een verslag over gevoelige maatschappelijke kwesties in de school.

Dat de intentie om te stemmen afhankelijk is van het opleidingsniveau van de leerlingen of hun ouders, baart Ten Dam zorgen. „Het gaat om de politieke legitimiteit van de gekozenen, om sociale cohesie.”