Vroege boeren hadden seks met jagers-verzamelaars

Prehistorie De eerste boeren waren migranten. Overal waar ze kwamen, troffen ze jagers-verzamelaars. DNA-analyse toont enige menging.

Laborant neemt DNA-monster uit het harde rotsbeen in een schedel van een prehistorische boer. Foto Balázs G. Mende

De eerste boeren in Midden- en West-Europa waren migranten uit Anatolië. Maar hun gemeenschappen bleven niet puur: de boeren namen geleidelijk inheemse jagers-verzamelaars in hun samenleving op. Zo ontstonden overal in Europa populaties met een mix van lokale jagers en uitheemse boeren.

Dat blijkt uit een van de grootste onderzoeken naar het DNA van vroege boeren, donderdag gepubliceerd in Nature. De onderzoekers analyseerden het DNA van 180 mensen die in Hongarije, Duitsland en Spanje leefden, van 6.000 tot 2.200 voor Christus.

Over de verspreiding van de landbouw hebben archeologen lang geruzied. Eén kamp hield vol dat de landbouw werd verspreid door migranten uit Anatolië. Daartegenover stonden archeologen die dachten dat jagers-verzamelaars de kunst van de landbouw afkeken van boerende buren.

DNA-onderzoek heeft het eerste kamp gelijk gegeven: alle vroege Europese boeren zijn sterk verwant aan boeren uit het Nabije Oosten. De boeren verspreidden zich niet in een grote golf over Europa, maar al ‘leap-froggend’, een verwijzing naar de Engelse naam voor het kinderspel haasje-over. Het betekent sprongsgewijze migratie: na één of meer generaties vertrok een groepje mensen en vestigde zich een stuk ‘verderop’. Langs een rivier, of langs een kust.

Maar overal waar de boeren zich vestigden, leefden al jagers-verzamelaars. De vraag was: vermeden die twee groepen elkaar of hadden ze intensief contact?

Het nieuwe onderzoek laat zien dat boeren overal jagers-verzamelaars opnamen in hun groep. Een boer die 5.700 jaar geleden in Hongarije leefde had bijvoorbeeld 8 procent jager-verzamelaar-DNA. Dat kan betekenen dat zijn over-overgrootouder een jager-verzamelaar was.

Het wiskundige model dat de verdeling van DNA-varianten het best verklaart gaat uit van één grote instroom van jager-verzamelaar-DNA direct na de vestiging van de boeren, gevolgd door vermenging die eeuwenlang aanhoudt.

De genetici zelf wijzen zwakke punten aan in dit model, zoals de aanname dat jagers-verzamelaars ‘puur’ blijven als boeren hun gebied binnentrekken. Maar in werkelijkheid ging de vermenging beide kanten op. Een jager-verzamelaar van wie de botten zijn gevonden in de Duitse grot Blätterhöhle bleek bijvoorbeeld voor 27 procent van boeren af te stammen.

In Hongarije nam het genetische aandeel van jagers-verzamelaars trager toe dan in Duitsland en Spanje, zagen de genetici. Aan de randen van het verspreidingsgebied hadden boeren waarschijnlijk intensiever contact met jager-verzamelaars dan in de kern.