Recensie

Moet je hier wel heen?

Verdwijnen Kunstenaar Stanley Brouwn wilde onzichtbaar zijn en ging heel ver om dat doel te bereiken. Toch zijn op de eerste tentoonstelling gemaakt na zijn dood in mei foto’s en filmbeelden van hem te zien. Mag dat wel?

Zaaloverzicht. Foto Kim van Dee

Kijk, daar gaat Stanley Brouwn – echt. Op Mens loopt op planeet aarde, Brouwns eerste solotentoonstelling na zijn overlijden in mei dit jaar, draait een fragment uit de zogenaamde ‘Videogalerie’ waarin filmmaker Gerry Schum begin jaren zeventig allerlei opkomende videokunstenaars op de Duitse televisie presenteerde. Het filmpje stelt eigenlijk niet veel voor. We zien de Dam in Amsterdam, blik richting Bijenkorf. Mensen lopen voorbij. Een man, een vrouw, nog twee mannen – even vraag je je af waarom dit is gefilmd. Je kijkt nog eens, en verdomd, dat moet ’m zijn, Stanley Brouwn: een kleine, kalende donkere man met bril, in een regenjas. Aanvankelijk houdt hij zich half schuil achter een andere man, maar eenmaal dichterbij de camera maakt hij zich los en kijkt ons even aan. Loopt. Stanley Brouwn. In het wild. Het is een opvallend ongemakkelijke sensatie, het kijken naar die lopende Brouwn. Een soort ramptoerisme. Was hij het eigenlijk wel?

Eenieder die denkt dat deze vertwijfeling nogal overdreven is, moet beseffen dat Brouwn er in de jaren die volgden alles aan deed om dit filmpje te doen verdwijnen. Sterker nog: om elk beeld dat er ooit van hem was gemaakt te vernietigen. Ergens in 1964 bijvoorbeeld, publiceerde Brouwn in het tijdschrift voor Institute of Contemporary Arts een manifest dat was geïllustreerd met drie portretten van de kunstenaar – na 1970 kocht hij elk exemplaar op dat hij van dit blad kon vinden en vernietigde het rücksichtslos. Net als elke andere film of publicatie waarin hij ooit te zien was geweest. Brouwn wilde onnaspeurbaar worden, onzichtbaar. Het enige wat er op aarde van hem mocht bestaan was zijn werk, te bezichtigen in galeries of musea. Louter het werk.

Zaaloverzicht. Foto Kim van Dee

Tenminste, zo gaat het verhaal. Want Brouwns hardnekkige en consequente verdwijntruc leidde tot een nevenverschijnsel dat zo voor de hand ligt, dat je bijna niet kunt geloven dat hij het niet had voorzien: Stanley Brouwn werd een mythe. Kunstliefhebbers begonnen te speculeren over zijn bedoelingen, over zijn ideeën – en dat werd alleen maar meer omdat het schaarse werk dat hij wél naar buiten bracht altijd ging over het nalaten van sporen en het zo karig mogelijk tonen van je eigen aanwezigheid. Beroemd is bijvoorbeeld de serie This Way Brouwn waarvoor Brouwn op straat aan willekeurige mensen vroeg een route voor hem op een blaadje papier te tekenen – deze vreemde, half-abstracte schetsen bestempelde hij vervolgens met de tekst ‘This Way Brouwn’ waarna het zijn kunstwerken waren geworden. Andere werken bestonden uit korte teksten waarin hij de lezer opdraagt een bepaalde richting uit te lopen, en hij vindt zijn eigen ‘lengtemaat’ uit: de ‘Brouwn-stap’ die hij afzet tegen de gestandaardiseerde meter. Brouwns werk is altijd karig, uiterst conceptueel en persoonlijk en zo bekeken stuwden de mythe en zijn kunstenaarschap elkaar perfect op. Alleen: of hij dat ook zo bedoelde, konden we hem niet vragen. Brouwn wordt vaak vergeleken met collega-conceptuele kunstenaars als On Kawara en Tehching Hsieh voor wie afwezigheid en het nalaten van gedachtensporen ook het fundament van het oeuvre was. Maar Brouwns afwezigheid was anders: altijd zocht hij de spanning op tussen het nalaten van sporen en buiten beeld blijven. Alsof hij voortdurend uit het beeld wegdook om ons, de toeschouwers, de gelegenheid te bieden over de leegte te kunnen fantaseren. Daarbij mocht niets in de weg staan. En dus: geen afbeeldingen van hemzelf. Geen werk in groeps- of thematentoonstelling. En zo min mogelijk informatie: als Brouwn al meedeed aan een tentoonstelling eiste hij een lege pagina in de catalogus. Tegelijk maakte hij tentoonstellingsmakers en schrijvers zo medeplichtig aan zijn concept – ik voel me eigenlijk al schuldig dat ik dit artikel zit te schrijven.

Zaaloverzicht. Foto Kim van Dee

Twijfel

Maar nu Brouwn sinds zijn overlijden niet meer kan wegduiken verandert alles – en je ziet hoe Colin Huizing, de samensteller van deze tentoonstelling, daarmee heeft geworsteld. Of beter: je vraagt je af óf Huizing wel heeft geworsteld, want hij heeft de glasheldere keuze gemaakt om Brouwn zichtbaar te maken. Niet alleen draait de Schum-video op Mens loopt op planeet aarde, ook het ICA-bulletin ligt in een vitrine, een portretfoto en twee andere Brouwn-video’s, waaronder we Brouwn lege witte vellen papier als een loper over straat zien uitleggen – als voorbijgangers eroverheen hebben gelopen zijn de vellen Brouwns werk geworden. Dat bevredigt onmiskenbaar de nieuwsgierigheid: kijk, daar loopt hij, klein, kalend, donker, regenjas, brilletje! Maar als je die sensatie eenmaal hebt doorgemaakt slaat de twijfel toe. Want zo, zichtbaar en werkend en fysiek wordt Brouwn ineens een veel ‘gewonere’ kunstenaar – je ziet hoe hij die mystieke Brouwn-stappen zette, hoe hij liep, ineens wordt de banale dagelijkse praktijk van zijn onzichtbare handelingen openbaar. Waarom zou je dat eigenlijk willen zien? Natuurlijk, je begrijpt Huizings curatoriale verlangen tot tonen, tot volledigheid. Maar moet dat ook als je weet dat de kunstenaar dat zelf vreselijk zou hebben gevonden – en misschien wel met recht?

Daarmee is Mens loopt op planeet aarde een fascinerende tentoonstelling, die een dilemma oproept dat boven het oeuvre van Stanley Brouwn uitstijgt. In hoeverre is een curator verantwoordelijk voor de nalatenschap en het gedachtengoed van een kunstenaar, zeker als die zo uitgesproken was in zijn opvattingen? Wat betekent het dat ik me, als toeschouwer, na het verlaten van een expositie, een beetje viezig voelde, alsof ik te lang had zitten bladeren in een tijdschrift vol paparazzi-foto’s? Mens loopt over planeet aarde gaat over verdwijnen en de verantwoordelijkheid van de curator, maar ook over die van de schrijver – en eigenlijk die van elke toeschouwer. Moet je deze tentoonstelling überhaupt wel gaan bekijken? Interessante vragen – en Stanley Brouwn, die blijft nog wel even.

Stedelijk Museum Schiedam, t/m 21 jan. Inl: stedelijkmuseumschiedam.nl