Cultuur

Interview

Interview

Foto Frank Ruiter

Foppe de Haan: ‘Je moet níét stoppen op je hoogtepunt’

Lunchinterview Voetbaltrainer Foppe de Haan (74)

genoot van het EK-succes van de vrouwen. „Nu het minder druk is, moet ik mezelf dwingen de dingen anders in te richten.”

Foppe de Haan (74) tekent met zijn vinger in de lucht hoe een mensenleven geacht wordt te verlopen. Van geboorte tot pakweg 32 jaar: een schuine lijn naar boven. „Leren, leren, leren.” Vervolgens wordt de lijn horizontaal om ten slotte schuin de dood in te dalen. „Daar geloof ik dus niet in”, zegt hij. Waar niet in? „In dat horizontale stuk. Je bent niet op je 32ste uitgeleerd. Ik zeg altijd: de levenslijn heeft de vorm van een toeter, de lijn blijft steil omhoog gaan. Ik leer nog elke dag.” Maar wanneer begint bij zo’n toeter dan het einde? „Tja,” zegt hij. „Voor mij? Ik denk nu zo’n beetje.”

Hartstikke mooi, het succes van deze zomer. De vrouwen wonnen het EK, hij was assistent-bondscoach en genoot volop van alle vreugde. Maar daarna, na die vrouwen, „toen heb ik mezelf wel weer even moeten terugvinden”. Zijn bestaan, zegt hij, staat nu op een lager pitje. En dat vindt hij lastig? „Ik kan het wel handelen hoor”, zegt hij. „Of nou, dat is niet helemaal waar. Een poosje was het toch… Zo van… Wat moet ik nu? Ja, somber. Ik ben geen planten- of bloemenman hè, voor hobby’s had ik nooit tijd.” In 2004 werd hij feestelijk uitgeluid bij sc Heerenveen. Dat had zijn afscheid kunnen zijn, als hij niet in 2011 was teruggevraagd door de club en daar tot 2016 was gebleven. In de tussentijd was hij coach van Ajax Cape Town en bij Jong Oranje, daar werd hij ook Europees kampioen mee, twee keer zelfs.

Nog zo’n stelling waar hij het niet mee eens is: dat je moet stoppen op je hoogtepunt. „Neem zo’n jongen als Erben Wennemars.” Olympisch schaatser, gestopt in 2010. „Hij zegt dat hij zichzelf pas goed ontdekte toen het even wat minder ging. Daar leer je van, dat maakt je beter. Als je de bodem hebt gezien, leef je daarna ruimer.” Of Dirk Kuijt, die dit jaar met Feyenoord de landstitel behaalde en daags erna stopte. „Je kunt zeggen: goed voor hem. Maar voor het team was het misschien beter geweest als hij was gebleven. Kijk die jongens nu onzeker zijn. Een ouwe lul kan daar wat aan doen.” Dus ja, herhaalt hij, wanneer stop je? Wanneer stopt u, vraag ik. Hij lacht. „Dat vraag ik mezelf ook wel eens af.”

In één keer het ijs op

We zijn begonnen met een „bakje koffie” in het café van het Abe Lenstra Stadion in Heerenveen. Vanaf zijn dorp is het een kilometer of tien. Hij had kunnen fietsen, geeft hij toe. „Maar ik moet altijd zo hárd.” In Nes heeft hij een huis laten bouwen. „Aan het water. Ik wil vanaf het erf in één keer het ijs op kunnen.” De afgelopen twintig jaar is dat precies twee keer gebeurd. Er ligt ook een klein zeilbootje achter het huis, of liever, dat lag er. „Mijn vrouw vond het niks.” Nu hebben ze een sloepje waarmee ze over het water tuffen. Vindt hij weer minder leuk. „Maar ik doe het wel, hoor.”

Een broodje gezond en een Rivella light. Hij begint bij de rauwkost en eet gestaag door tot alles op is. Er verschijnt deze week een boek over hem. Foppe de Haan: Een leven lang voetbaltrainer, geschreven door Menno Haanstra. Ja, zegt hij. „Alweer.” Het vorige stamt uit 2001, geschreven door Eppie Dam, in het Fries. „Ik dacht toen: het is wel klaar nou. Maar nadien is er zoveel gebeurd.” Hij moet niets hebben van sportboeken waarin „buitenissigheden en sterke verhalen” worden opgedist. Niet dat hij die heeft. „Ik ben altijd een redelijk serieuze trainer geweest.”

Voor het nieuwe boek zou hij aanvankelijk samen met de auteur oud-pupillen en collega’s bezoeken om over zijn carrière te praten. „Maar dat werkte niet.” Omdat? „Het was ongemakkelijk.” Omdat? „Ze gingen allemaal zeggen wat ik goed deed.” Haanstra spreekt in zijn nawoord over „het bombardement aan complimenten” dat Foppe de Haan van iedereen kreeg.

‘De schoolmeester’ wordt hij vaak genoemd. Niet omdat hij zo’n frik is, maar omdat hij de kunst verstaat het beste te halen uit jonge mensen met talent. „Voetbal is een middel,” zegt hij. „Mij gaat het om de mens achter de bal.” Die moet zich in alle rust kunnen ontwikkelen. „We laten kinderen tegenwoordig veel te vroeg te veel trainen. Vroeger trainde je één, twee keer in de week, en verder speelde je buiten, of je zat op gymnastiek.” Hier spreekt de gymnastiekleraar die hij vroeger was. „Twaalf is een mooie leeftijd om serieus te worden. Met veertien kun je wel zien of het wat wordt.”

Altijd spannend

Aan pupillen die het moeilijk hebben, vertelt hij soms het verhaal van zijn eigen jeugd in Lippenhuizen, als zoon van wagenmaker Reinder de Haan en Tjimkje Wouda. Zijn moeder was ernstig depressief. „Het was altijd spannend als ik thuiskwam. Zou ze op bed liggen, ziek zijn, weer niet eten? Plezierig was het nooit. Onbewust weet je als kind: hier ga ik aan onderdoor.” Zijn moeder was de dochter van een keuterboer uit de Friese wouden. Slim, maar ongelukkig. Zit depressie in de familie, vraag ik. „Zou best kunnen. Een van haar broers overleed ook in een psychiatrische inrichting.” En heeft hij er zelf last van? Hij glimlacht. „Ik ben van jongsaf aan heel stabiel geweest.” Verdere vragen kapt hij vriendelijk af. „Waar het om gaat is wat ik probeer over te brengen aan zo’n jongen. Trammelant thuis, dat gebeurt je. Daar heb je geen invloed op, je lost het niet op. Soms moet je bikkelhard zijn. Zeggen: oké, het is zo. Maar ik ga mijn eigen gang.” Dat deed hij ook? „Ja.” Wanneer? „Ik zat op de kweekschool. Ik was een jaar of 17.” En hij woonde nog thuis? „Jawel.” Tot z’n 22ste, toen ging hij in militaire dienst.

Het was altijd spannend als ik thuiskwam. Plezierig was het nooit

Een team, zegt hij, is een ladekastje. „Elk laatje is een individu. Je moet precies weten wat waar zit.” Hij heeft „de kop vol ideeën” over hoe hij het beste team bouwt. „Vanmorgen stond ik nog even voor mijn kast. Mappen, werkboeken, bladen vól oefeningen, schema’s, weekplanningen. Want dat doe ik hè, maanden vooruit denken. Precies plannen.” Hij is net terug van twee weken Zuid-Afrika, waar hij (weer) gevraagd is om mee te denken over Ajax Cape Town, de Zuid-Afrikaanse tak van de Amsterdamse club. „Eens bekijken wat ze aan spelers in huis hebben, mentaal, fysiek, technisch.” En? „Het wordt een redelijk karwei. Ze spelen stijf 4:3:3 hè, typische Ajax-club. Jongens uit de townships die altijd op zandveldjes hebben gevoetbald, net als wij vroeger. Aan doelpunten maken doen ze niet, want ze hebben geen goals. Eindeloos pingelen. Postbodevoetbal.”

Maar hartstikke leuk is het wel. „Het voetbal is misschien niet verschrikkelijk goed, maar die jongens willen zo verrekte graag. Dat maakt het mooi. Kijk naar Heerenveen in de jaren 1997 tot 2000. Qua voetbal niet eens zo geweldig, maar het team stond er. Die voetbalmeiden, die hadden een heilig doel, ze moesten en zouden en waren bereid zichzelf weg te cijferen. Dat moet je hebben.” Alle spelers uit het vorige Zuid-Afrikaanse team dat hij bouwde, zijn verkocht. „Het gaat altijd om de centen, ook daar.” Stoort dat hem niet? „Zo is het. De ontwikkeling van jonge mensen met talent, dát is je kapitaal. Zo denk ik erover.”

Schitterend

Hij wil die klus daar klaren, dat zie je zo aan zijn gezicht. Dat straalt. „Binnenkort ga ik weer. Dan gaat Geke ook mee.” Geke, meer dan vijftig jaar zijn echtgenote. „Wij vinden het daar schitterend, het is echt ons tweede land. Het landschap, de mensen, we hebben er vrienden gekregen. Wat daar sterk leeft, is het principe van ubuntu. Een mens bestaat dankzij de ander. Je ontwikkelt je dóór de ander. Dat spreekt me aan.” Wil hij er wonen? „We huren daar altijd een appartementje. Een huis? Het zou misschien best kunnen. Maar nee. We hebben hier een huis, en een caravan op Ameland. Dat is mooi zat. Mijn vrouw houdt van klein.”

Hij is toegesproken, zegt hij en lacht erbij. Door Geke. „Ze was heel ontevreden over mij.” Wat dan? „In het dagelijks leven, zeker als het druk of spannend was, dan had ik de neiging om… In mezelf gekeerd, dat is het woord. Ze zegt altijd: je bent er, maar je bent er niet. En daar heeft ze best wel gelijk aan.” Dus? „Nu het minder druk is, moet ik mezelf dwingen de dingen anders in te richten.” Hoe? „Nou ja, ik leef al twintig jaar in hetzelfde dorp. Maar kennen doe ik de mensen nauwelijks. Zij wel. Zij gaat om half tien boodschappen doen en is om twaalf uur nog niet terug.” Dan gaat hij toch mee? „Niks voor mij. Ik sta erbij van de ene poot op de andere te wippen. Ik ben niet zo lang van stof.”

Ze fietsen tegenwoordig veel, zij op de e-bike, hij op de gewone fiets. Tot voor kort deed hij alle warming-ups mee van de ploegen die hij trainde. „Gisteren heb ik indoor geskied, vanochtend stond ik op de hometrainer. Eigenlijk ben ik hartstikke fit.” En verder? „Wat meer doen thuis. Gras maaien. Een, twee keer in de week koken. Zorgen dat we het met z’n tweeën genoeglijker hebben.” Dus de lijn van de toeter stijgt nog? Opgewekt: „Dat lijkt er aardig op, hè? Wanneer zou die eens afvlakken? Daar ben ik ook wel benieuwd naar.”