Cultuur

Interview

Interview

De politie doet onderzoek na een melding van een gevonden lichaam.

Foto Piroschka van de Wouw/ANP

Eerst een scenario, dan pas de sporen

Madeleine de Gruijter onderzoeker NFI

Helpt het om al binnen een paar uur te weten of DNA van een plaats delict in een databank zit? Madeleine de Gruijter onderzocht het.

Het is een bende in de woonkamer. Er is flink gevochten, kastladen en -deuren staan open. Dat klopt met het verhaal van de buren, die vertelden dat ze die ochtend man en vrouw hevig hoorden ruziën. Zij had een affaire, wist een vriendin te vertellen, en de echtgenoot had dat ontdekt en was die ochtend buiten zinnen van woede. De vrouw des huizes moest naar het ziekenhuis, waar zij aan haar wonden is overleden. Waar lijkt het op?

„Op moord natuurlijk”, zegt onderzoeker Madeleine de Gruijter. Zij onderzocht vanuit het lectoraat Forensisch Onderzoek, een samenwerking tussen de Hogeschool van Amsterdam en de Politieacademie, hoe versnelde sporenanalyse forensisch rechercheurs beïnvloedt op een ‘plaats delict’. Over een periode van 4,5 jaar voerde De Gruijter daartoe twee grootschalige experimenten uit, een vanuit een roofovervalscenario en één vanuit deze crime scene. Op basis van echte moorden ontwierp ze deze plaats delict en liet die filmen met een panoramacamera, om vervolgens 48 Engelse en 65 Nederlandse rechercheurs aan het werk te zetten. Tot welke conclusie kwamen zij? „Is het een uit de hand gelopen ruzie tussen man en vrouw of betrapte de vrouw een stel inbrekers? Beide interpretaties zijn op basis van het beschikbare bewijs mogelijk.”

Hoe helpt versnelde sporenanalyse het werk van rechercheurs?

„Het versnelt een opsporingsonderzoek enorm om binnen een paar uur te beschikken over resultaten van onderzoek aan DNA-sporen en vingerafdrukken. Dat sporenanalyse straks ook op de plaats delict kan plaatsvinden, kan een goede ontwikkeling zijn. Het is wel zaak om na te denken over hoe je dat moet invoeren. Mijn experiment was met opzet heel ambigu, want deze plaatsen delict zijn in werkelijkheid ook lastig voor rechercheurs. Het is aan de forensisch rechercheur om uit alle aanwijzingen een verhaal te reconstrueren en juist die sporen te selecteren die daar meer over vertellen. Dat is ontzettend ingewikkeld werk.”

Is het niet altijd beter om sneller te weten wie wat achtergelaten heeft?

„Alleen als de rechercheur zijn ogen al goed de kost heeft gegeven. Het gaat om het totaal, niet alleen om de sporen. Op basis van mijn onderzoek kan ik nu zeggen: het is beter dat een rechercheur eerst een scenario bepaalt, of meerdere, en dan keuzes maakt over de te onderzoeken sporen. De resultaten uit versnelde analyse kan hij gebruiken om zijn scenario’s te toetsen. In het wilde weg sporen onderzoeken, levert niet veel op.”

Het scenario is dus leidend. Hoe scenariovast zijn rechercheurs?

„Daarop bleek die versnelde sporenanalyse veel invloed te hebben. Uit de aanwezige sporen in mijn moordexperiment bleek dat er nog twee mensen op de plaats delict waren geweest. Zonder deze sporeninformatie gingen rechercheurs af op getuigen en kwamen ze uit op huiselijk geweld, met de echtgenoot als verdachte. We hadden verwacht dat ze, ook met dat bewijs van twee andere mensen op de plaats delict, bij hun eigen scenario zouden blijven en de andere sporen zouden wegverklaren. Dat was niet het geval.”

Is dat verrassend?

„Ja, dat vind ik wel. Wel zagen we een verschil met de Engelse rechercheurs, die sporen met een databankmatch belangrijker vonden. Voor Nederlandse rechercheurs maakte dat niet uit. Engelse rechercheurs zeggen zich meer te richten op who did it in plaats van what happened, terwijl Nederlandse rechercheurs zeggen zich eerder te richten op waarheidsvinding, meer dan op het vinden van de dader.”

Wat is het verschil daartussen?

„Als je gericht bent op de dader, zoek je sporen waarvan je verwacht dat hij of zij ze heeft achtergelaten. Dat kan ervoor zorgen dat je andere aanwijzingen over het hoofd ziet of verkeerd interpreteert. Zo zagen de Engelse rechercheurs vaker de mogelijkheid van twee daders over het hoofd.”

Wat is nu de volgende stap?

„Mijn onderzoek is het eerste naar hoe forensisch rechercheurs werken, een nog onontgonnen terrein. Er zijn nog veel vervolgvragen te beantwoorden. Het is nog onduidelijk of en wanneer Nederlandse rechercheurs beschikken over lab on a chip-technieken, zodat ze daadwerkelijk versneld kunnen analyseren. Maar dat de techniek in dienst moet staan van het mensenwerk dat rechercheurs verrichten, is mij wel helder.”