Recensie

Een pose aannemen uit lijfsbehoud

Charlotte Mutsaers

In haar nieuwe roman veinst Mutsaers de echtheid over haar broer, omdat die voor haar zo echt voelt.

Illustratie Paul van der Steen

De ophef rond Charlotte Mutsaers van de afgelopen tijd ben je gauw genoeg vergeten als je begint in haar nieuwe roman Harnas van Hansaplast. De beelden die ze direct al oproept, zijn sterk: van haar broer Barend, ‘dood op zijn bed gevonden in een gloednieuw pyjamajasje zonder broek’, ‘pas eenenvijftig en slechts omringd door grote stapels porno’. Maar ook de beelden van de schrijfster zelf, die een roman over hem probeert te schrijven, wat niet lukt, en dan zit ze ‘met gebalde vuist te tieren achter mijn laptop’. En er zijn beelden van haar buitenissige jeugd: dat ze op een matras van ‘Cubaans zeegras’ sliep, dat haar ‘kalfskop met alle tanden er nog in’ voorgeschoteld werd, of dat ze erbij zat ‘als mijn vader het hoofdje van een gebraden hout- of watersnip platweg bij zijn lange smalle snavel pakte om het leeg te zuigen’.

Het zijn beelden waar tragiek, eigenzinnigheid en buitenissigheid in zit – en dat zijn ook de woorden die afwisselend van toepassing zijn op de situatie in Harnas van Hansaplast als geheel. Mutsaers (1942) vertelt het verhaal over haar vereenzaamde broer, die ontijdig sterft en al jaren geen contact meer had met familie, vrienden of wie dan ook. Bij het reconstrueren van zijn leven werd Mutsaers naar eigen zeggen vaak geplaagd door het credo ‘over de doden niets dan goeds’, dat haar verhindert eerlijk te zijn. Een zeker schuldgevoel speelt ook mee: hadden zij en haar zus niet iets meer hun broeders hoeder moeten zijn? Maar er is ook iets fundamenteels: waarom verwerd hij tot onbegrepen, onmogelijke eenzaat, terwijl zij haar buitenissigheid kon uitventen als gewaardeerd schrijver en kunstenaar?

Uitruimen en schatgraven

Dat zijn min of meer de ‘onderzoeksvragen’ van dit boek, al relativeert ze die weer meteen in haar inleiding. (Die uiteenzettende proloog waarin ze haar plannen ontvouwt heeft iets van historische non-fictie – en tegelijk, door die typische barokke, groteske Mutsaers-beelden en zinnen, is hij ook juist helemaal fictie.) Harnas van Hansaplast zal niet eindigen, kondigt ze aan, met een stevige conclusie over wie Barend was en wat hem bezielde, want ze tast in het duister. Hij is er immers niet meer. ‘Om hem recht te doen kan ik me beter beperken tot wat ik ontdek en me herinner zonder elke keer met een verklaring of een oordeel af te komen en zonder me al te veel met hem te identificeren.’ Het boek kon er alleen zó komen, als we Mutsaers moeten geloven, maar daarom is er wel wat op aan te merken.

Het is, zoals Mutsaers zelf ook al zegt, alsof we daar recht in Barends hersenen kijken.

Mutsaers vertelt haar verhaal met als rode draad de weken waarin zij en haar zus A. in Utrecht Barends boedel doorspitten en uitruimen – en schatgraven. Barend stouwde zijn huis, tevens het ouderlijk huis van de Mutsaersen, vol met troep en liet het gigantisch verslonzen. Als Mutsaers en haar zus het huis betreden, stuiten ze op een dikke laag stof, ‘een ijzige witte laag die alles lijkt te verschralen’. Kleding gebruikte hij blijkbaar maar één keer, waarna hij het neerkwakte op de zoldervloer. (Mutsaers noteert mooi: ‘Sommige hebben verkrampte menselijke vormen, andere lijken op geslachte lammetjes en weer andere op mislukte sneeuwballen.’) Ondertussen liet hij het ouderlijk huis, zoals hij dat ooit had aangetroffen, vrijwel ongemoeid – in dat gegeven is de tragiek ook weer voelbaar.

Het mooiste zijn de momenten waarop je een soort historische sensatie krijgt: wanneer we tot de kern van Barend door denken te dringen, doordat Mutsaers geschriften van hem citeert. Ze ontdekt een broodtrommel vol zelfgeschreven tekstsnippers, kattenbelletjes, krabbels, steevast eindigend met een eigenaardig vraagteken: ‘Meer mensen zonder tanden zoals ik?’ En: ‘Jas dicht op straat in zomer ‘raar’?’ Of: ‘’ns luisteren in winkels en op straat wat ik zoal hoor om op die manier de inhoud van ‘gemakkelijke’ conversatie aan te leren?

Recht in Barends hersenen

Het is, zoals Mutsaers zelf ook al zegt, alsof we daar recht in Barends hersenen kijken. Zoiets geldt voor het grappige, maar schrijnend visionaire ‘Microkerstverhaal’ dat hij eens schreef: daar kijken we recht zijn verbeelding in. En voor het logboek dat hij jarenlang heeft bijgehouden met beschrijvingen van zijn avondmaaltijden: recht in zijn dagelijks leven. ‘WOENSDAG 2 harde eieren, 2 cup-a-soup (anders te weinig voor een maaltijd), 1 croissant. Frambozen op sap’. In de lange verontschuldigingsbrief aan, nota bene, zijn vaste striphandelaar zien we zijn worsteling met, nou ja, álles: ‘Ik had en heb het druk, o.a. met steeds weer andere, dringende zaken die ongevraagd ‘op mijn bordje kwamen.’ Dat is allemaal net zo mooi en schrijnend als datgene waar Harnas van Hansaplast zijn titel aan ontleent: een krakkemikkig en ongelukkig ogend figuurtje dat Barend uit pleisters knutselde, met daaronder de tekst: ‘IK’. Als om te tonen dat hij, zijn lichaam, ook het omhulsel van een wond was. Maar een bepleisterde wond is nog niet onzichtbaar, laat staan weg.

Grotesk personage

Barend voelt in die glimpen zo waarachtig als iemand in literatuur maar zijn kan – maar tussen die glimpen zit nog een heleboel méér boek. Daar is Mutsaers aan het woord, over zichzelf, en af en toe wreekt zich het talent van een buitenissige stilist: ze leeft zich helemaal uit, maar er zit een boel flauwiteit bij. Het is van een grote eigenzinnigheid, ja, maar soms bekruipt je het gevoel dat het vooral veel buitenkant is, veel stijl, veel pose – zeker in contrast met haar broer. Zo beneemt Mutsaers het zicht op de echte, echtere hoofdpersoon van het boek: Barend.

Die pose lijkt Mutsaers’ natuurlijke staat: een grotesk personage. Maar dat wringt, de flauwiteiten zijn domweg flauw, en daarom vraag je je bij Harnas van Hansaplast af: waarom toch doen alsof al deze ostentatieve buitenissigheid écht is? (Want je maakt mij niet wijs dat het geen gestileerde overdrijving is dat ze, welja, de boekenkist van Hugo de Groot in bezit had.)

Het geeft ook te denken over de ophef waar Mutsaers in verzeild raakte, omdat ze in een interview had gezegd (toegegeven óf gelogen) dat ze Barends kinderporno ook in werkelijkheid verkocht had aan een seksshop – zoals gebeurt in de roman. Mutsaers krabbelde terug en verweerde zich dat ze als romancier in een interview haar roman toch niet kon afvallen door hem te ontmaskeren. Maar waarom wil ze zo graag die echtheid veinzen? Omdat het voor haar echt voelt waarschijnlijk, en omdat dat uitventen van die eigen waarheid een zelfbevestiging is. En omdat die zelfbevestiging nodig is uit lijfsbehoud, als je iemand bent die mensen ‘raar’ noemen.

Mutsaers bezit het vermogen, als schrijver, om een pose aan te nemen en zich zo te handhaven (een vermogen dat Barend ontbeerde). Maar omdat ze die analyse zelf niet lijkt te maken, leidt dat tot poseursliteratuur. Tja. Ze kan misschien niet anders.