Cultuur

Interview

Interview

Deze Tunesiër is de wegbereider van democratie in zijn land

Rached Ghannouchi, leider van Tunesië’s grootste islamitische partij, is voor velen de wegbereider van de democratie in zijn land. „Alle mensen houden van vrijheid. Arabieren zijn daarop geen uitzondering.”

Sommige Tunesiërs zien hem als de redder van de prille Tunesische democratie, als een moedige onafhankelijke denker die een inspirerend voorbeeld is voor de hele Arabische wereld. Anderen verguizen hem als een onverbeterlijke fundamentalist, die buitenstaanders met mooie praatjes zand in de ogen probeert te strooien. Over de 76-jarige Rached Ghannouchi, leider van Tunesië’s voornaamste islamitische partij Ennahda, zijn de meningen kortom sterk verdeeld.

Door zijn lange associatie met de Moslimbroederschap en andere fundamentalisten word je gauw op het verkeerde been gezet. In het sobere kantoor in een zakenwijk in Tunis, waar een schokkende lift bezoekers naar toe voert, hangt achter zijn stoel een abstract schilderij met een Arabische tekst er dwars overheen. Een vers uit de Koran misschien? „Welnee”, lacht Ghannouchi, „die tekst betekent niks, het is een mooi voorbeeld van contemporaine Tunesische kalligrafie.”

Vorig jaar deden Ghannouchi en Ennahda op een partijcongres iets ongehoords, iets wat nog nergens in de Arabische wereld was vertoond. Ze zetten het grootste deel van het fundamentalistische gedachtengoed, waaraan ze tot dan hadden vastgehouden, overboord. Ennahda zei louter als politieke partij te willen verdergaan. Religieuze, sociale en educatieve activiteiten, vanouds gebieden waarop fundamentalisten zich toeleggen, zouden strikt worden gescheiden van het politieke werk. Enahhda’s leiders zouden niet meer in moskeeën preken en omgekeerd zouden geestelijken de partij niet kunnen leiden.

„Ennahda kan nu het best niet meer als een islamistische beweging worden begrepen maar als een partij van Moslim Democraten”, schreef Ghannouchi enkele maanden later in het invloedrijke Amerikaanse tijdschrift Foreign Affairs. „We zoeken naar oplossingen voor de dagelijkse problemen waarmee Tunesiërs worden geconfronteerd in plaats van te prediken over het hiernamaals.”

Een partij dus die zich graag spiegelt aan de christendemocraten in Europa. Het opleggen aan de rest van het land van fundamentalistische opvattingen is voor Ennahda niet meer aan de orde. Scheiding van geloof en staat is het parool. Een transformatie die volgens veel Tunesiërs overigens vooral uit pragmatisme is geboren. Hun land is volgens hen immers te seculier ingesteld om ooit een strikte sharia te aanvaarden. Meer radicale leden van Ennahda mokken om de koerswijziging. Zij zouden liever de invoering van de sharia in Tunesië blijven nastreven.

Gekleed in een grijs pak met een wit overhemd zonder das, legt de Ennahda-voorman uit waarom hij tot deze stap is gekomen. „Politiek draait om verandering”, zegt hij, bedachtzaam turend over zijn ronde brillenglazen. „Wij aanvaarden democratie met alles wat er bij hoort. Wij geloven dat islam en democratie met elkaar zijn te verenigen, dat vrijheid en individuele rechten voor de burgers voorop staan. Met dat idee zijn wij in de hele Arabische wereld voorlopers. Dat is onze belangrijkste toevoeging aan het hedendaagse islamitische gedachtengoed.”

Maar is de islam echt te verenigen met democratie? Elders in de Arabische wereld is daarvan weinig te merken en ook de Turkse democratie die u vroeger wel noemde als positief voorbeeld, heeft de laatste jaren veel glans verloren.

Ghannouchi, die eerst even in het Engels heeft gesproken, sluit zijn ogen en vervolgt dan in het Arabisch met licht krakende stem, een tolk aan zijn zijde: „Alle mensen houden van vrijheid. Arabieren zijn daarop geen uitzondering. Als je mensen de keus geeft of ze vrij willen zijn of liever onder een dictatuur leven, hebben ze liever de vrijheid. Het zijn de dictaturen en regeringen die de vrijheid verwerpen. In Egypte bijvoorbeeld zijn er meer dan 100.000 mensen in de gevangenis gegooid. Dictaturen en extremistische minderheden voeden elkaar. Dictaturen wijzen naar de extremisten en zeggen dat het terroristen zijn, terwijl extremisten beweren dat ze de dictator bestrijden omdat die geen goede moslim is.”

In Egypte koos het volk na de revolutie de Moslimbroederschap. Die werd door het leger afgezet, waarna de kiezers het herstel van de militaire dictatuur goedkeurden. Hoe valt dat te rijmen met die liefde voor de vrijheid?

„Er is een echt conflict over democratie in Egypte. Maar ik geloof dat uiteindelijk ook daar de vrijheid zal zegevieren. De taak van het leger is het land te verdedigen, niet het te regeren.

In Tunesië heeft Ennahda in de praktijk bewezen dat ze de democratie serieus neemt. Na de verdrijving van sterke man Ben Ali bij de Jasmijnrevolutie van 2011, won Ennahda de eerste democratische verkiezingen. De partij kreeg 37 procent van de stemmen en ging de nieuwe regeringscoalitie leiden. Twee jaar later raakte Tunesië in een diepe crisis. Er waren sit-ins waarin het aftreden van de regering werd geëist en tegendemonstraties waarin aanhangers hun steun aan Ennahda betuigden. Beide kampen stonden fel tegenover elkaar. Het beraad over een nieuwe constitutie, dat nog niet was afgerond, werd door de oppositie opgeschort. Tot overmaat van ramp hadden in Egypte de militairen de Moslimbroederschap net uit het zadel gewipt. Sommigen in Tunesië riepen op tot een soortgelijke coup.

In die sfeer had Ghannouchi een cruciale ontmoeting met de politieke veteraan Beji Caid Essebsi, leider van de seculiere oppositiepartij Nidaa Tounes.

Ghannouchi: „We waren het eens dat we de gemoederen moesten bedaren en dat we behoefte hadden aan een nationale dialoog. Van de kant van Ennahda waren we bereid uit de regering te stappen, als het overleg over een nieuwe grondwet maar doorging. Ook wilden we de weg vrij maken voor een nationale dialoog. We wilden bovenal het democratische overgangsproces redden.”

Toen een overeenkomst van die strekking was getekend, trad de door Ennahda geleide regering inderdaad af en hervatte het parlement zijn werk over de grondwet. De nieuwe democratische grondwet kwam er, net als nieuwe verkiezingen in 2014, die Ennahda verloor. Haar stemmenpercentage daalde tot 27 procent. In de nieuwe regering neemt Ennahda een ondergeschikte rol in, al is de partij inmiddels door afsplitsingen bij zijn rivalen weer de grootste in het parlement.

Is Tunesië nu een duurzame democratie?

„Als je naar de periode sinds de revolutie kijkt, hebben we in totaal zeven regeringen en vijf premiers gehad. Die stabiliteit is dus relatief. We zitten nog in een overgangsfase naar de democratie. Maar het is goed op te merken dat al die regeringswijzigingen met instemming van het parlement zijn gebeurd, niet met wapens. De democratische mechanismen werken. Tunesië is het enige Arabische land waar het zo democratisch is toegegaan. Tunesiërs hebben een hoop problemen in het dagelijkse leven. Maar als je ze vraagt of ze terug willen naar de tijd van voor de revolutie, zegt 80 procent van hen dat ze de klok niet willen terugzetten.”

Bent u trots op de rol die u en uw partij daarbij hebben gespeeld?

„Ja, natuurlijk. We hebben vijftig jaar lang gewerkt aan de verwezenlijking van de droom van een democratisch Tunesië, dus we zijn trots dat Ennahda hierbij zo’n belangrijke rol heeft gespeeld en dat de burgers nu zoveel rechten hebben.”

Uw partij maakt zich ook sterk voor de vrouwenrechten?

„Wij geloven dat de islam de gelijkheid tussen man en vrouw erkent. Daarom moedigen we ook aan dat vrouwen een rol in het openbare leven vervullen. Wij hebben in het parlement ook de wet die huiselijk geweld en andere vormen van geweld tegen vrouwen verbiedt gesteund en we hebben campagne gevoerd voor betere voorwaarden voor zwangerschapsverlof.” Critici wijzen er echter op dat Ennahda nog amper vrouwen heeft benoemd op leidinggevende functies.

Waarom slaagt Tunesië waar andere Arabische landen falen?

„Er zijn zowel interne als externe factoren die daartoe hebben bijgedragen. In Tunesië heb je een vrij sterk maatschappelijk middenveld. We hebben bovendien een tamelijk goed opgeleid land en we hebben een moslim-democratische partij. Een belangrijk verschil is ook dat we polarisatie vermijden omdat dat de eerste stap naar een burgeroorlog is. Wij kozen niet voor conflict maar voor dialoog. Wij slaagden erin een consensus te bereiken, dat toverwoord in Tunesië.”

En de externe factoren?

„Tunesië heeft geen olie. Daardoor is er minder kans op buitenlandse inmenging. Het ligt ook minder strategisch en is een stuk kleiner dan bijvoorbeeld Egypte. We zeggen daarom zelf dan ook dat het Tunesische experiment niet voor de export is bestemd. Maar als anderen er van willen leren, staat dat ze natuurlijk vrij. We zijn er vast van overtuigd dat de democratie ook in Libië, Egypte en andere landen kan werken. Het is een kwestie van tijd.”

Ook voor de breekbare Tunesische democratie telt de tijd, mede gezien de leeftijd van de belangrijkste leiders. Ghannouchi is 76, de gerespecteerde Essebsi, de man met wie Ghannouchi in 2013 zo’n belangrijk akkoord sloot en die sinds 2014 president is, is zelfs bijna 91 jaar. Is er een jongere garde die het roer van hen kan overnemen als zij er niet meer zijn? Ghannouchi, lachend in het Engels: „I hope so.”