‘De minister moet niet bang zijn voor farmaceuten’

Bas Leerink

Om medicijnfabrikanten met veel te hoge prijzen onder druk te zetten, moet de overheid „het ultieme middel” niet schuwen.

Het is tijd voor een keiharde confrontatie met fabrikanten over hun dure geneesmiddelen. Om de prijs omlaag te krijgen moet de Nederlandse overheid tot de tanden bewapend de onderhandelingen over de vergoeding van een nieuw middel ingaan. „Wie vrede wil, bereide zich voor op de oorlog”, zegt Bas Leerink.

Met zijn brilletje en ronde gezicht oogt Leerink vriendelijk, zachtaardig. Maar hij spreekt streng en fel. Maandenlang deed hij namens de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS), een invloedrijk adviesorgaan voor de overheid, onderzoek naar dure geneesmiddelen. Daarbij ontdekte hij tot zijn verrassing dat er tal van wettelijke mogelijkheden zijn om fabrikanten onder druk te zetten, maar dat de overheid die nauwelijks gebruikt: „We moeten die instrumenten dus voortaan wél gaan inzetten. Slimmer, beter, completer onderhandelen, daar kunnen we morgen mee beginnen.”

Hoe, dat staat te lezen in het rapport van de RVS, dat deze donderdag is overhandigd aan minister Bruno Bruins (Medische Zorg, VVD). Het advies leest als de beschrijving van een gereedschapskist – vol instrumenten die je kan gebruiken om de prijs van medicijnen te verlagen, inclusief breekijzer. Zo mogen apothekers nieuwe geneesmiddelen namaken voor hun eigen patiënt; deze ‘magistrale bereiding’ omzeilt het octrooi van een fabrikant en maakt middelen goedkoper. Patiënten moeten ook de mogelijkheid krijgen hun geneesmiddelen in het buitenland te bestellen, waar die vaak veel goedkoper zijn.

En dan is er nog het „ultieme middel”, zoals Leerink dat noemt: de dwanglicentie. De overheid geeft daarmee bedrijven het recht een medicijn te ontwikkelen, terwijl een andere farmaceut er een octrooi op heeft.

„Een laatste redmiddel”, volgens Leerink, dat „veel problemen kan veroorzaken.” Het betekent dat bedrijven profiteren van het vaak kostbare onderzoekswerk naar medicijnen dat een ander bedrijf heeft uitgevoerd en betaald. En toch, zegt Leerink, „moet die optie op tafel liggen in onderhandelingen met farmaceutische fabrikanten”.

Die onderhandelingen over de toelating van nieuwe geneesmiddelen, voor onder meer kanker en zeldzame ziekten, in het verzekerde pakket leiden tot toenemende frustratie in de Nederlandse samenleving. Afgelopen maand was er nog grote ophef over het geneesmiddel Orkambi, voor taaislijmpatiënten. Toenmalig minister Schippers (Volksgezondheid, VVD) weigerde tot tweemaal toe het middel, dat jaarlijks 170.000 euro per patiënt per jaar kost, te vergoeden uit de zorgpremies. Patiënten en artsen bestookten verontwaardigd de media en Tweede Kamerleden.

Uiteindelijk kwam de minister er met de fabrikant uit – voor welk bedrag is geheimgehouden, maar goedkoop zal het niet middel nog steeds niet zijn. De raad noemt het „onhoudbaar” dat op zo’n manier dure medicijnen steeds weer voor hoge prijzen in het basispakket komen.

Dure geneesmiddelen verdringen andere zorg

Jullie advies is pittig. Waarom?

„Dure geneesmiddelen verdringen uiteindelijk andere zorg. Toelaten ervan leidt indirect tot bijvoorbeeld bezuinigingen in de wijkverpleging. De overheid moet daarom veel steviger optreden tijdens onderhandelingen met farmaceuten.”

Daarvoor bestaan instrumenten die blijkbaar niet gebruikt worden. Hoe kan dat?

„De farmaceuten creëren een hoop juridische mist. En patiëntenorganisaties maken het soms ook niet makkelijker. Een farmaceut vertelt op een congres dat het onveilig is als apothekers zelf medicatie bereiden voor die ziekte. Nou, logisch dat een patiëntenorganisatie zich dan uitspreekt tegen magistrale bereiding. Het ís helemaal niet onveilig, maar al snel wordt het politiek lastig om daar vol voor te gaan. Ik begrijp dat bedrijven met aandeelhouders gewoon winst willen maken. Maar je moet daar een gelijke kracht tegenover zetten.”

Waarom doet het ministerie dat niet?

„Eerlijk gezegd denk ik weleens dat het ministerie bang is voor rechtszaken die farmaceuten kunnen aanspannen. Dan denk ik: nou én? Dat is all in the game als je met dit soort partijen om tafel zit. Die voeren al een rechtszaak om hun octrooi op een medicijn met een maand te verlengen. Dat is voor hen normaal. Dan moet je met gelijke munt terugbetalen, anders denken ze: ja… als jij niet naar de rechter wil, passen wij onze prijs niet aan.”

De overheid heeft te weinig zelfvertrouwen?

„Ik denk het. Er is soms ook vrees voor Europa, terwijl de Europese wetgeving veel toelaat. Bij apothekersbereiding van middelen zegt de overheid nu: we gedogen het. Ik zeg: het zou normaal moeten zijn. Een apotheker kan gewoon, buiten een octrooi om, een medicijn voor zijn patiënt maken. Voor Orkambi, 750 patiënten, zou dat een prima oplossing zijn. Apothekers kunnen dat, ze hebben ervoor geleerd. Helemaal niet onhaalbaar, helemaal niet ingewikkeld om te maken. Maar apothekers hebben juridische steun nodig. Hun grote angst is kapotgeprocedeerd worden. Die angst is gegrond, want er zijn voorbeelden uit het verleden.”

Bekijk hier waardoor medicijnen zo duur zijn:

Lees ook dit eerdere interview met Leerink: De patiënt moet voortaan bepalen wat de farmaceut maakt

Een dwanglicentie inzetten geeft ook risico’s. Toen Thailand dat ooit deed, dreigden de VS een handelsovereenkomst in te trekken.

„Natúúrlijk wordt daarmee gedreigd. Zo werkt dat in die wereld. Maar je moet je niet door het eerste het beste dreigement laten afschrikken. Een ander bekend dreigement van farmaceuten: als jullie ons geen hogere vergoeding geven, maken we dit medicijn niet voor de Nederlandse markt beschikbaar. Daar moet je als ministerie niet van schrikken. Dan zeg je: prima, be my guest, gaat u dat maar uitleggen aan de Nederlandse patiënten.”

In de onderhandelingen over het medicijn tegen taaislijmziekte was de minister toch best streng?

„Dat klopt. Maar de minister moest in de Tweede Kamer komen uitleggen waarom ze de onderhandelingen met de fabrikant had stilgelegd. De Kamer zei: je moet terug naar de onderhandelingstafel. De farmaceut weet dan dat het haar opdracht is eruit te komen. En dan sta je met 3-0 achter. Zo’n bedrijf gaat natuurlijk nooit meer een korting geven. Dat klinkt heel cynisch, maar je kan het dat bedrijf niet kwalijk nemen.”

Zou de Kamer zich er minder mee moeten bemoeien?

„Nou ja, dat kan ik niet zeggen. Wat ik alleen probeer bloot te leggen, is dat het zou helpen als Tweede Kamerleden begrijpen wat ze doen met de onderhandelingspositie van een minister.

„Over dit onderwerp is iedereen gefrustreerd in de politiek. Dan hoor je: patiënten worden de dupe, de kosten worden te hoog, en we hebben niets om terug te slaan. Onze boodschap is: we kunnen wél wat. Maar we moeten niet bang zijn voor farmaceuten.”

Fabrikanten denken nu: ze zetten die verregaande opties toch niet in. En daar hebben ze gelijk in

Dat is nu het geval?

„Ja. Je moet tijdens onderhandelingen alle instrumenten die tot je beschikking staan geloofwaardig kunnen inzetten. Maar de fabrikant denkt nu gewoon: ze zetten die verregaande opties toch niet in. En daar hebben ze gelijk in.

„Om de onderhandelingen over het medicijn tegen taaislijmziekte als voorbeeld te nemen. Als onderhandelaar van het ministerie moet je dan zeggen: we hebben een apotheker die het zelf kan bereiden, onze jurist heeft de dwanglicentie al voorbereid, de landsadvocaat staat klaar voor een rechtszaak. Zo moet je het doen. En je moet bereid zijn weg te lopen uit de onderhandelingen.”

Je voelt de storm al opsteken: patiënten voor wie er een medicijn is dat ze niet kunnen krijgen, zullen zich roeren in de media.

„En toch is het nodig. Dat moet je willen uitleggen als overheid.”

Dus de minister moet uitleggen waarom een doodzieke patiënt zal overlijden als een medicijn niet wordt vergoed?

„Nou, ik bedoel: de patiënt moet zijn middelen in een ander land kunnen bestellen. Die patiënt zou bij zijn apotheker terecht moeten kunnen die dat middel zelf kan bereiden. Dat doen we nu allemaal niet, en daardoor kan die patiënt nu helemaal niks als een medicijn niet in het verzekerde pakket komt. Dan heeft de minister ook een beter verhaal. En als dat allemaal niet kan, moet een minister ook bereid zijn om te zeggen: helaas, we gaan dit niet vergoeden voor deze patiënten.”

Als de overheid veel harder gaat onderhandelen, zullen farmaceuten dan niet zeggen: we ontwikkelen geen medicijnen meer, het is niet meer lonend?

„Dat zullen ze zeker zeggen. Maar het is echt niet zo dat als Nederland een paar hobbels opwerpt, de farmaceutische industrie geen winst meer kan maken met de ontwikkeling van dure medicijnen. Dus ik zou zeggen: trek je van dat dreigement niets aan.”