Column

De laatste winter

Waar sommigen uitzien naar de eerste hete dag van het jaar, kijken mijn zus en ik uit naar de eerste nacht onder het vriespunt, om dan de wandelschoenen aan te trekken en een flinke trektocht door de arctische stad te maken. Ik houd van wat kou met je gemoed doet: je bent niet zo opgefokt als op een warme zomeravond, waardoor er een andere, helderder manier van denken ontstaat.

Ieder jaar koester ik, vanwege de klimaatveranderingen, die eerste vriesnacht meer. Ik ben bang dat elke winter de laatste zal zijn, wat niet alleen het einde zal betekenen van die frisse manier van denken maar ook van een bepaald soort herinnering. Ik hoef maar die eerste teug vrieskou in te ademen of hup, ik ben terug in mijn kindertijd, toen temperaturen en geuren enorme indruk maakten. Juist die eerste kille herfstavonden met hun geur van rot, vocht en kou, ontketenen veel herinneringen: wantjes aan een touwtje, die ene sneeuwwandeling met mijn vader toen hij me vertelde over de dood van zijn moeder, de eerste keer op het ijs. Zo verdwijnt door de opwarming van de aarde niet alleen de toekomst, maar ook een deurtje naar het verleden.

Gisternacht moest ik echter denken aan een artikel dat ik had gelezen op De Correspondent. Schrijver Rutger Bregman spreekt in dat artikel over Paaseiland met Jan Boersema, milieubioloog en professor aan de Universiteit Leiden. Hij verzucht op een gegeven moment dat doemdenken niet hetzelfde is als realistisch denken. „Er is [tegenwoordig] een onvermogen om te erkennen dat naast problemen ook oplossingen exponentieel kunnen groeien”, zegt hij op een zeker punt. „Daar is geen garantie op, maar het kan wel”, wat hij vervolgens illustreert aan de hand van een aantal voorbeelden uit de wereldgeschiedenis.

En wie weet, dacht ik, al lopende door de vrieskou. Misschien hoef ik me er geen zorgen over te maken en kan die opwarming van de aarde nog worden omgekeerd.

„Maar misschien koesteren we de kou dan minder”, zei mijn zus, toen ik deze gedachte met haar deelde. „Ik bedoel, je houdt ook het meest van een geliefde als deze op het punt staat het met je uit te maken, nietwaar?” Nou nee, maar het zei wel iets over hoe mijn zus liefheeft.

En toch. Zelfs met spierpijn en blaren trekken we er vriesnacht na vriesnacht op uit, om ons hoofd helder te krijgen en om een glimp van onze kindertijd op te vangen. Omdat iedere keer die helderheid misschien wel de laatste zal zijn en we er daarom juist gebruik van zouden moeten maken, tot de temperatuur niet meer met uitsterven wordt bedreigd.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.