Parijs is de hoofdstad van de fotografie

Fotografie Parijs is mede dankzij de beurs Paris Photo de wereldhoofdstad van de fotografie geworden. Foto’s zijn er nu kunst.

Man Ray, Noire et Blanche, 1926 Foto Christie’s Images Ltd, 2017

Het is een van de bekendste kunstfoto’s uit de geschiedenis en nu is hij te koop. Noire et Blanche van de surrealist Man Ray, het beeld uit 1926 met het liggende hoofd van Rays muze Kiki de Montparnasse naast een rechtopstaand Afrikaans masker, moet donderdagavond zo’n 1,5 miljoen euro opbrengen. Van de foto zijn 24 afdrukken bekend, maar dit is „de meest gave”, zegt Élodie Morel, directeur fotografie van Christie’s in Parijs.

Het topstuk van Christie’s hangt prominent op de eerste etage van de Parijse vestiging van het Britse veilinghuis, aan de muur gechaperonneerd door naakten van Paul Outerbridge uit 1937 en van Nan Goldin uit 1993. De foto’s maken deel uit van de collectie van de Zwitserse filmmaker Thomas Koerfer. Ook iconische beelden van onder anderen Irving Penn (de hand van Miles Davis) of Diane Arbus (de eeneiige tweeling) gaan onder de hamer. Potentiële kopers met aktetassen en notitieblokjes schuifelen tijdens de kijkdagen in stilte voorbij.

Zouden dergelijke foto’s een aantal jaren geleden nog in Londen of New York geveild worden, nu weten veilinghuizen als Christie’s en concurrent Sotheby’s dat hun beste kans op een goede prijs Parijs is. Woensdag opende in het Grand Palais de twintigste editie van Paris Photo, de fotobeurs die in 1997 werd opgezet door de Nederlander Rik Gadella en is uitgegroeid tot de belangrijkste in de wereld. „Iedereen die iets met fotografie heeft is deze week in Parijs”, zegt Morel. „Dus ook de belangrijkste verzamelaars.”

Parijs, schrijven Franse media mede daarom, is de „wereldhoofdstad van de fotografie” geworden. Daar valt iets voor te zeggen – en zeker in de week van Paris Photo als de stad één grote fototentoonstelling lijkt te zijn.

Gelijk met de beurs waarop de belangrijkste fotogalerieën hun mooiste en duurste werk presenteren, zijn er kleinere beurzen voor minder vermogende verzamelaars als Fotofever. Grote musea en particuliere kunstinstellingen plannen hun belangrijkste foto-exposities in deze tijd van het jaar. En voor liefhebbers van camera’s, lenzen en andere hardware is elders in de stad de Salon de la Photo.

„Frankrijk wordt op het gebied van fotografie echt als voortrekker gezien”, erkent François Hebel, die bij een trits leidende instituties in de Franse fotografie een rol heeft gespeeld. Hij zegt het met een zekere verbazing in zijn stem. Overal in de wereld, constateert hij, spelen Fransen bij foto-instellingen en -evenementen tegenwoordig een hoofdrol.

Kalos & Klio, Equilibrists of Memory, 2017
Irving Penn, Cuzco Children, 1948

Courtesy Stephen Daiter gallery
Links: Kalos & Klio, Equilibrists of Memory, 2017, rechts: Irving Penn, Cuzco Children, 1948
Rechts Courtesy Stephen Daiter gallery

Zelf was hij onder andere directeur van de Rencontres de la Photographie in Arles, in 1970 het eerste grote fotofestival, en hij leidde het in Parijs gevestigde agentschap Magnum. Tegenwoordig is hij artistiek directeur van de Mois de la Photographie en van het festival Foto Industria in Bologna. „Toen ik in Italië gevraagd werd, zeiden ze dat ze me wilden omdat Fransen een groot talent hebben voor de marketing van de cultuur. Zo had ik het nog niet bekeken, maar het kan wel kloppen.”

Ondernemende ministers van Cultuur als André Malraux (tijdens het presidentschap van De Gaulle) en Jack Lang (onder de socialist Mitterrand) hebben bij die culturele marketing een rol gespeeld. „Vooral in de jaren tachtig is door Mitterrand de ontwikkeling van de fotografie sterk gestimuleerd”, zegt kunsthistoricus Clara Bouveresse, die vorig jaar promoveerde op een geschiedenis van Magnum. „Fotografie werd, net als bijvoorbeeld het stripverhaal, gezien als een democratische kunstvorm, waarmee de massa bereikt kon worden.”

Zo ontstond in die tijd het Centre National de la Photographie (opgegaan in fotomuseum Jeu de Paume). En terwijl voor het toekomstige Musée d’Orsay al in de jaren zeventig een indrukwekkende fotocollectie werd opgebouwd, gaf de Franse staat vanaf 1984 aan bekende en minder bekende fotografen de opdracht om het Franse landschap in al zijn facetten te fotograferen. Dat resulteerde in een collectie van duizenden beelden, met werk van onder anderen Raymond Depardon en Robert Doisneau, waarvan op dit moment een deel in de Bibliothèque nationale de France te zien is.

Ook de tweejaarlijkse Maand van de Fotografie, een poging om pleisterplaatsen voor fotografie met elkaar in contact te brengen en zo Parijs op de kaart te zetten als fotostad, is deels op initiatief van de politiek ontstaan. Met Hebel als artistiek leider werd de fotomaand dit jaar voor het eerst in april belegd, en niet meer in november. „Door het enorme succes van Paris Photo schoot de Mois de la Photographie zijn doel voorbij”, zegt hij daarover. Daarom is er, opnieuw met de politiek, nu een nieuwe draai aan gegeven om ‘Grand Paris’, de regio inclusief de banlieue, te promoten: de tientallen exposities waren in april nog maar voor de helft in Parijs.

Daguerre

Dat zijn allemaal relatief recente gebeurtenissen. Maar Frankrijk had de geschiedenis natuurlijk ook al mee. De Fransen claimen (overigens net als de Britten) de uitvinding van de fotografie. Op een sobere gedenkplaat aan een kazerne in het tiende arrondissement van Parijs memoreert de stad dat hier het laboratorium stond waar Louis Daguerre de uitvinding van Joseph Niépce „perfectioneerde”. Hier maakte hij in 1838 een foto, of meer precies een ‘daguerreotype’, van de Boulevard du Temple: het eerste bekende beeld met een mens erop. De uitvinding werd in 1839 door de Franse staat aangekocht.

„Frankrijk eist dus de uitvinding van de fotografie op en veel fotografen zijn hier groot geworden”, zegt Hebel. Man Ray kwam in 1921 vanuit de Verenigde Staten naar Parijs om zich verder te ontwikkelen. Hij raakte er bevriend met Constantin Brancusi en Marcel Duchamp, wat voor de goede verstaander aan een foto als ‘Noire et Blanche’ te zien is. „Op het moment dat de fotografie zich begon te moderniseren, gebeurde dat vanuit Montparnasse in Parijs met mensen als Ray, Brassaï, Robert Capa en Henri Cartier-Bresson.”

Maar dat roemrijke verleden was voor de handel in fotografie eerder een handicap dan een voordeel. „Contemporaine kunst is niet echt een Franse traditie en fotografie is wel degelijk contemporaine kunst”, lacht Hebel. „We hebben een groot erfgoed hier in Frankrijk”, zegt ook Bouveresse, „waardoor voor moderne dingen nooit veel plaats is geweest.” In Frankrijk waren veel fotografen actief, en een aantal galeries, waaronder Baudoin Lebon in de Marais, legde zich toe op de handel. „Maar in de VS waren ze daar al veel verder mee”, zegt Bouveresse.

Edward Weston, Nude study, 1925
Omar Victor Diop: Trayvon Martin, 2012

Courtesy Galerie MAGNIN-A)
Links: Edward Weston, Nude study, 1925. Rechts: Omar Victor Diop: Trayvon Martin, 2012
Rechts: Courtesy Galerie MAGNIN-A)

Een keerpunt was volgens haar het besluit, in 1991, om fotografie onder strikte voorwaarden te erkennen als zogenoemd ‘œuvre d’art originale’, authentiek kunstwerk. Dat was een „officiële legitimatie en een onderscheid tussen kiekjes van amateurs, industriële of nuttige foto’s en kunstafdrukken”, schrijft Bouveresse in een hoofdstuk in een recent boek over de kunstmarkt. Om een foto als kunstwerk in aanmerking te laten komen voor een speciaal belastingtarief en vrijstelling van douaneheffingen, mochten van een beeld maximaal dertig afdrukken bestaan en moest de maker het gesigneerd hebben. „Hierna, en dankzij Paris Photo, kon Parijs echt het wereldwijde centrum van de fotografie én de fotomarkt worden.”

En daar profiteren de veilinghuizen goed van. Nadat in 2001 ook buitenlandse veilinghuizen in Frankrijk toestemming hadden kregen te opereren, verhuisden Christie’s en Sotheby’s hun foto-afdelingen naar Parijs. „De belangrijkste fotoveilingen van het jaar vinden deze week in Parijs plaats”, beaamt Jonas Tebib, het hoofd fotografie van Sotheby’s. „We bieden hier soms foto’s aan uit collecties in de VS die vervolgens weer door Amerikaanse kopers mee teruggenomen worden. Zo belangrijk is Parijs geworden”, zegt hij.

Tebib, die eerder onder meer voor Paris Photo zelf en voor Baudoin Lebon werkte, heeft deze week weliswaar geen Man Ray in de aanbieding, maar bij hem gaan donderdag en vrijdag evengoed wereldvermaarde afdrukken onder de hamer. Een daguerreotype van de Notre-Dame uit 1840 moet het meeste opbrengen.

Maar op de voorzijde van zijn catalogus staat geen vintage-afdruk, waar Sotheby’s in gespecialiseerd is, of de evengoed door hem geveilde zoetsappige ‘Baiser de l’Hôtel de Ville’ van Doisneau, maar een abstract kleurenbeeld van de Amerikaanse beeldend kunstenaar Walead Beshty uit 2007. Dat is niet voor niets, zegt Tebib. „Fotografie was altijd een eiland. Je had fotoverzamelaars en verzamelaars van andere contemporaine kunst. Die kloof moet overbrugd worden.” Hij geeft toe: dat leidt tot waardevermeerdering. Want fotografie is ondanks de hoge prijzen voor Man Ray, Andreas Gursky of Cindy Sherman nog altijd relatief goedkoop. „Ik probeer die werelden samen te brengen, te laten zien dat fotografie ook moderne kunst kan zijn”, zegt Tebib. „Parijs is de plaats waar die kruisbestuiving gaat plaatsvinden.”