Make art not euro

Kunstbeleid In de discussie na het aftreden van Beatrix Ruf blijft de onderkant van de kunstwereld onderbelicht, vindt SP Amsterdam: „Wat ons betreft begint het aankomende Amsterdamse stadsbestuur met cultuurbeleid dat kunst omarmt vanwege haar waarde en niet vanwege haar prijs.”

X Helling/NDSM terrein in Amsterdam Foto Joris Bennekom

Het meeste is wel al gezegd over de verzwegen bijverdiensten van afgetreden Stedelijk Museumdirecteur Beatrix Ruf en de genereuze schenking die het museum stiekem toch 1,5 miljoen euro kostte. Uit de reacties komt niet al te verrassend bovendrijven dat de huidige kunstwereld wordt beheerst door kapitaal, macht en naamsbekendheid en dat de culturele sector door de opeenvolgende kabinetten-Rutte in luttele tijd is hervormd van linkse hobby tot rechts investeringsfeest, en dat dit nog altijd kwaad bloed zet.

Toch blijft naar ons idee in de discussie over Ruf iets onderbelicht. Namelijk, dat het dealtjes-sluiten en zakkenvullen aan de internationale top gepaard gaat met bittere armoede en geschraap in de vruchtbare culturele compost die ‘de onderlaag’ heet, en dat dit nauwelijks aan de orde komt in bespiegelingen over governance, crowd pleasing en een geheel zwarte garderobe.

Het is flink afzien geblazen bij de vele kleine Amsterdamse instellingen, podia, groepen en individuele talenten zonder het certificaat ‘top’, die sinds het afschaffen van de kunstenaarsuitkering Wwik (Wet werk en inkomen kunstenaars) in 2012 en de drastische cultuurbezuinigingen in 2013, op miraculeuze wijze nog steeds hun ondergang hebben weten af te wenden, ondanks overwerk, onderbezetting, onderbetaling, structurele budgetkrimp en burn-out.

Startende kunstenaars werken zich drie slagen in de rondte voor een bruto inkomen van 880 euro per maand, aldus een verkenning van de SER begin dit jaar. Dat is hard werken voor een bestaan beneden bijstandsniveau.

Dit kan Beatrix Ruf natuurlijk niet helpen (al is het wrang dat grote instellingen soms van kunstenaars verlangen dat zij gratis werk verrichten omdat de naamsbekendheid voldoende ‘beloning’ zou opleveren). De rijke directeur in het gezaghebbende museum is net zo zeer een gevolg van neoliberaal kunstbeleid als de sappelende kunstenaar in de werkruimte driehoog-achter. Wanneer een overheid kunst reduceert tot koopsom en kunstenaars tot ondernemers, dan is het niet verwonderlijk dat de schatkamer van het Rijksmuseum tot maatstaf wordt verheven. En dat het ‘kleine bier’, kunstenaars zonder kapitaal (in geld of in aanzien) voor het gemak over het hoofd wordt gezien of letterlijk uit de markt wordt geprezen. Zoals in Amsterdam de kunstenaars in broedplaatsen, de ADM’ers, de X-Hellingers en de startende theatergezelschappen in de wijk die zich laten inspireren door sociaal-maatschappelijke thema’s.

Het kunstbeleid dat de gemeente Amsterdam tot op heden heeft gevoerd, met een fixatie op megalomane verbouwingen, internationale uitwisseling, bewezen toptalent en cultureel ondernemerschap (lees: de markt), draagt bij aan deze tweedeling. Het exploiterende deel van de Amsterdamse kunstsector wordt door het stadsbestuur ingezet als lokeend voor kenniswerkers uit het internationale bedrijfsleven en voor zogenaamde ‘kwaliteitstoeristen’, en daarmee als aanjager van de economie. Terwijl de rest onvoldoende wordt gekoesterd in de kweekvijver voor artistieke vernieuwing en talentontwikkeling die de stad van oudsher is. Precies die kunstenaars op wie we trots moeten zijn beginnen ernstig te verkommeren door schaarste. Net als in de zorg is ook in de kunstsector het experiment met de markt mislukt.

Wat ons betreft begint het aankomende Amsterdamse stadsbestuur met een cultuurbeleid dat kunst omarmt vanwege haar waarde en niet vanwege haar prijs. Amsterdam moet zich niet langer blind staren op blockbusters en avant-gardistische celebrities in het Stedelijk Museum. We willen een beleid dat inzet op het behoud en beschermen van de onmisbare culturele humuslaag in de buurten en de werkruimtes, en dat opkomt voor de kunstenaars en medewerkers van kleine instellingen die recht hebben op een fatsoenlijk bestaansminimum.

Het Rijk en de gemeente samen zijn in maart 2017 al een proef begonnen die noodlijdende Amsterdamse kunstenaars met een bijstandsuitkering tijdelijk ontslaat van sollicitatieplicht, eigenlijk een nieuwe vorm van Wwik. Die kan verder worden ontwikkeld, zodat alle Amsterdamse kunstenaars ten minste op het bestaansminimum hun vak kunnen uitoefenen. De gemeente kan daarnaast zorgen dat nieuwe beroepsverenigingen als de Kunstenbond, het Platform Beeldende Kunst en De Zaak Nu, die de (inkomens)positie van kunstenaars helpen verbeteren, meer voet aan de grond en dus meer armslag krijgen. Ook kan de gemeente er goed op gaan toezien dat Amsterdamse kunstinstellingen en podia zich houden aan de nieuwe Richtlijn Kunstenaarshonoraria (kunstenaarshonorarium.nl), zodat niet alleen de suppoost, de technicus, de beveiliger, de cateraar en de verhuurder van feestverlichting worden betaald, maar eerst en vooral ook de kunstenaar om wiens werk het allemaal gaat.

Tot slot hoeft Amsterdam niet langer te investeren in dure internationale kunst- en cultuurmissies naar New York voor meer dan zestig deelnemers die toch al de eigen broek kunnen ophouden. De SP ondersteunt liever de dapper voortploeterende Amsterdamse kunstenaars en trekt graag de portemonnee voor het behoud van waardevolle rafelranden als de X-Helling op het NDSM-terrein. Make art not euro, staat daar als kunstwerk op een van de oude scheepsloodsen. Laat de opvolger van Beatrix Ruf daar eens goed over nadenken.

Nelly Duijndam is gemeenteraadslid namens de Socialistische Partij in Amsterdam en woordvoerder cultuur Bart Stuart is beeldend kunstenaar