Recensie

Jan Fabre verklaart de liefde aan zijn schizofrene vaderland

Theater

In een bonte opeenvolging van scènes en kostuumwisselingen stipt Fabre allerlei Belgische eigenaardigheden aan. Al is aanstippen bij Fabre niet het juiste woord.

Foto Wonge Bergmann

Na afloop van de voorstelling hangt er een sterke bierlucht in de Rabozaal. Vier uur lang heeft het gouden vocht rijkelijk gevloeid, geklotst en geklaterd in Belgian Rules/Belgium Rules, de jongste productie van de Jan Fabre. Een Vlaming, zeggen we gewoonlijk, maar na deze ode aan zijn schizofrene vaderland moeten we misschien overgaan op ‘Belg-uit-overtuiging’.

Want Belgian Rules/Belgium Rules is een innige omarming van alle absurde ongerijmdheden van ons buurland. Nog kleiner dan Nederland, maar drietalig. Een land van rechtschapen katholieken, met een clerus die zich aan alles wat God verboden heeft te buiten gaat. Bureaucratisch tot op de vierkante millimeter, en van de weeromstuit een chaotisch zootje ongeregeld. Kijk alleen maar naar de (oerlelijke) woningbouw. In de voorstelling houdt het echtpaar Arnolfini, kwistig met bakstenen strooiend, een lofzang op de meestal illegaal gebouwde ‘koterij’ (schuurtjes en andere aanbouw), een niet weg te denken onderdeel van het Belgische woonhuis.

De Arnolfini’s, zo weggelopen uit Jan van Eycks schilderij, zijn de eerste verwijzing naar de rijke kunsthistorie van België. Magrittes man met bolhoed en paraplu komt langs en ook andere iconische, surrealistische beelden, zoals de naakte, geblindoekte vrouw met varken (Pornokratès) van Félicien Rops.

Dat is de artistieke verbeelding die welig tiert in Fabres vaderland, en in Fabres theater. In een bonte opeenvolging van scènes en kostuumwisselingen stipt Fabre ook banalere Belgische eigenaardigheden aan: bier, friet, chocola, Manneken Pis, wielerkoersen, carnaval en de duivensport. Al is aanstippen bij Fabre niet het juiste woord. Hij neemt er ruim de tijd voor, en in dit geval rechtvaardigt de inhoudelijke en de visuele kwaliteit die lengte zeker niet altijd. Waar Fabre bijvoorbeeld in de succesvolle 24-uursmarathon Mount Olympus (2016) schoonheid boetseerde uit het groteske en scabreuze, of uit de uitputting van zijn performers, wil deze voorstelling niet naar een hoger niveau stijgen. Dit ondanks de bewonderenswaardige inzet van deze équipe van vijftien toegewijden, die zich onder meer onvermoeibaar in een sessie bierkrattenfitness storten en, met de dood op de hielen (dat wil zeggen: een skelet op de rug), een kwartier lang sur place joggend volstrekte nonsens-regels de zaal in schreeuwen.

Deels ligt het ook aan de teksten van Johan de Boose, die ofwel een soort geschiedenislesje zijn, ofwel politiek simplistisch en pamflettistisch. Ze worden onveranderlijk met nadruk en uitroeptekens uitgesproken, maar zijn niet confronterend, eerder ouderwets en in wezen een preek voor eigen parochie. Maar Fabres onverholen liefdesverklaring aan het niet-bestaande land België is oprecht.