Recensie

Indonesië vertelt over een gedeeld verleden

Tentoonstelling

De erfenis van het kolonialisme is nog overal voelbaar aanwezig in Indonesië. Zelfs de moderne kunst is niet vrij van smetten, zo blijkt op een expositie in Brussel.

Werd koning Sisingamangaraja XII in 1907 vermoord of niet? Nee, zeggen sommigen op Sumatra, waar de koning in 1910 nog te zien zou zijn geweest. Jawel, zei de Nederlandse KNIL-officier Hans Christoffel. Hij had een klopjacht tegen de anti-koloniale heerser opgezet, mede daartoe aangezet door missionaris Ludwig Nommensen. Sisingamangaraja geldt als de laatste koning van de Batak, een stam op Sumatra met een rijke oude cultuur. Toch vestigde Nommensen zich hier eind negentiende eeuw om mensen te ‘beschaven’. „To improve that backward life”, aldus een geïnterviewde in een video-installatie van Lifepatch, een kunstcollectief uit Djokjakarta. Nommensen liet een school bouwen, een kliniek, en ja, hij bracht het christelijk geloof mee. Een echte koloniaal. Toch is hij bij Lifepatch niet de slechterik. En over de waarheid uit 1907: misschien kan de koning wel op twee plekken tegelijkertijd zijn, zegt de installatie.

Lifepatch is een van de exposanten op Power and Other Things. Indonesia & Art in Bozar in Brussel. De titel komt uit de onafhankelijksverklaring van 1945, waarin Soekarno de overdracht „van macht en andere dingen” eiste van de bezetter. Twintig kunstenaars tonen vooral zaalvullende installaties, over ongelijkheid, migratie, erfenissen van de koloniale tijd. Maar, waarom in België? Waarom is dit niet door Nederland georganiseerd?

„Dat moet je de Nederlanders vragen”, antwoordt Koen Clement, directeur van het Europalia festival dat dit jaar aan Indonesië gewijd is. „In België is de financiering gemakkelijker te regelen”, antwoordt Charles Esche, directeur van het Van Abbemuseum in Eindhoven en met Riksa Afiaty curator van de tentoonstelling. „Nederland is meer gericht op de eigen canon. Terwijl post-kolonialisme wereldwijd overal is.”

I Owe You, Barkcloth from Mulberry tree, 2017 Mella Jaarsma

Exotische blik

Dat onderscheid strekt ver. Het bepaalt hoe Jan Toorop in de kunstgeschiedenis als Nederlander is ingelijfd, terwijl hij toch ook van Javaanse komaf was. Power and Other Things, beginnend met de negentiende eeuw, plaatst Toorop tussen Indonesische tijdgenoten (Emiria Sunassa), zo deze whitewashing aankaartend. Twee negentiende-eeuwse schilderijen tonen de gevangenneming van prins Diepo Negoro – door een Indonesische en een Europese schilder. Twee verschillende perspectieven, maar ze zien er hetzelfde uit. Dat is niet vreemd: autonome schilderkunst is een westerse vinding, Indonesische schilders werden vaak in Europa opgeleid. Zo werden beeldtradities gedeeld. Ook door de latere anti-koloniale Sudjojono. Hij schilderde in 1973 de bloederige veldslag tussen Sultan Agoeng en Jan Pieterszoon Coen. Een schilderdaad tegen de ‘Mooi Indië’-schilderijen van vredige landschappen die een verbeelding lijken van het KNIL-ereteken ‘orde en vrede’, elk bloedvergieten negerend. Toch zou je het stilistisch kunnen verwarren met een Europees historiestuk.

Beschavingsgedachte

Het verleden oproepen is nodig omdat het doorwerkt, zeggen de exposanten. FX Harsono maakte een monument voor Chinese Indonesiërs, een vergeten groep waarvan de nazaten erkenning willen. Dea Widya’s project Planning to Forget gaat over de sloop van het Hotel Des Indes in Jakarta, waarna er een werkelijk spuuglelijk winkelcentrum verrees. De overwinning van het kapitalisme op het kolonialisme. Zou alles beter zijn gegaan als een pan-islamisme en communisme samen waren opgetrokken tegen de bezetter, vraagt Saleh Husein zich af in een ‘what if’-installatie. We zullen het nooit weten.

Racisme, ongelijkheid, migratie, maar er is nog iets fundamenteels waarin het kolonialisme zijn sporen achterlaat: het vooruitgangsdenken dat ook nu nog, overal, diep geworteld is. Nadat in 1945 Soekarno de onafhankelijkheid had uitgeroepen, zou nadien ook de nieuwe Indonesische regering een beschavingsgedachte gaan uitdragen.

Dat merkten de Papoea, onderwerp van kunstenaar Roy Villevoye, die zich ertegen verzetten om gekleed en ‘beschaafd’ te worden. Gelijk hebben ze, als je luistert naar het debat nu in de VS met kritiek op wat we beschaving noemen: auteurs zoals Jared Diamond beargumenteren hoe alle ellende begon vanaf de komst van het boerenbestaan – ongelijkheid, slavernij, oorlog, alles.

Dat Amerikaanse debat trekt ons hele welvaarts- en vooruitgangsdenken in twijfel. En dat is weer relevant voor het Europese debat van musea die willen dekoloniseren. Want op dat welvaartsdenken stoelt het kolonialisme. Dat is de ideologie van de moderne tijd, voelbaar in het eeuwige verlangen naar economische groei en huidige hypes rond innovatie. Die ideologie was de legitimatie van de bezetter: die bracht beschaving, klinieken, scholen, een politiek-economisch systeem. Daar heb je ze: de ‘other things’ van Soekarno.

Verdoezelen

Dat modern koloniale denken zie je ook in de moderne kunst van de twintigste eeuw. De wedloop naar meer abstractie, meer vernieuwing, loopt parallel met zendingsdrang. Kunst draagt dus (onbewust) de ideologie achter het kolonialisme uit.

Oost en West, 1900 KITLV, Leiden Jan Toorop

In Europa zijn musea in rep en roer met meer dan wekelijkse dekolonisatie-debatten. Namen moeten veranderd (Witte de With), standbeelden moeten om of toch niet (Coen), musea zetten vraagtekens bij hun collectie-opstellingen moderne kunst (Van Abbemuseum, Reina Sofia) – alles vanuit dekoloniale motieven. Maar zijn vraagtekens genoeg, als je moderne kunst wel blijft etaleren? Moet er meer niet-westerse kunst bij, of nee, is ook dat een patriarchale truc om de eigen koloniale schuld te verdoezelen?

Lastig. En laten we wel zijn: ook deze tentoonstelling is niet vrij van smetten. Het staat in het Bozar, een cultuurtempel ter bekroning van de welvaart van een koloniale macht. Waar doe je goed aan? Wat te denken van Mella Jaarsma’s installatie over boomschorskleding op Sulawesi? Ze filmde ambachtslui en maakte zelf eigenzinnige schorskostuums. Geeft ze zo deze cultuur echt genoeg ruimte? Of eigent ook zij zich andermans erfgoed toe?

Alles opgeteld is dit een belangrijke tentoonstelling, over hoe diep kolonialisme als gedeeld verleden overal doorwerkt. Goed van Brussel maar toch suf dat niet ook zoiets groots is georganiseerd in Nederland. Terwijl Nederland druk is met het Wilhelmus, lopen herdenkingen nog dwars langs elkaar. Fridus Steijlen, hoogleraar Molukse cultuur en migratie aan de VU, sprak vorige maand over de jaarlijkse viering van de Japanse capitulatie op 15 augustus. Bij verschillende monumenten wordt dit door verschillende groepen heel verschillend herdacht. Op het nog jonge Indiëmonument in Enkhuizen uit 2005 staan, ondanks protesten, toch de beladen woorden ‘orde en vrede’. Met palmbomen. Hier is niets post-koloniaals aan.

Al betekent dat niet dat er slechts één eensluidend verhaal mag zijn – Lifepatch zet ze naast elkaar, maar dus wel in dialoog. Dat doet het op de tentoonstelling niet alleen met filmbeelden. Om identiteit te scheppen vulde Lifepatch de installatie met specerijen, een nagemaakt ritueel zwaard, dia’s van oorspronkelijke artefacten. De originelen zijn niet meer op Sumatra: meegenomen door Christoffel bevinden ze zich in de Antwerpse museumcollectie van het MAS. Maar zo, met dia’s die spookachtig opflikkeren in lichtboxen, kunnen ze op twee plekken tegelijk zijn. Net als koning Sisingamangaraja.